Bezwaarschrift GJM Oortwijn tegen vervolgen door OM

Beste lezers. Op 10 november 2015 deed een ex-collega van mij (van Boer & Croon) aangifte tegen mij. Het gaat om een valse aangifte. Naar aanleiding van deze aangifte ben ik 10 november 2015 met geweld (inbeuken voordeur) uit mijn woning gehaald en meegenomen voor verhoor. Na een nacht in de cel, werd ik de avond daarop (na anderhalve dag vastzitten) vrijgelaten, met de belofte dat ze het nu als een civiele zaak zagen (lees: geen politiewerk).

In september 2016 kwam het OM daarop terug. Ze gaan me vervolgen. Ik mocht alleen niet mijn dossiers inzien, zelfs niet alle stukken die zij naar de rechters stuurden (processtukken). Hieronder het bezwaarschrift dat ik indiende. Door omstandigheden heb ik geen advocaat. Het is lastig in mijn situatie, om adequate verdediging te krijgen. Maar ik geef niet op!


Van: Mevrouw G.J.M. (Maud) Oortwijn

Aan: Rechtbank Amsterdam, Meervoudig Kamer Strafzaken
Parketnummer: 13/6507XX-XX

Betreft: Bezwaarschrift

Amsterdam, 27 december 2016

Edelachtbare heer/vrouwe,

Hierbij dient G.J.M. Oortwijn bezwaar in tegen vervolging van de zaak met parketnummer 13/6507X, op basis van wetsartikel 262 Sv. De dagvaarding is gedateerd 8 december 2016 en werd ontvangen per koerier op 16 december 2016. Het betreft een vervolging betreffende Bedreiging (artikel 285 Wetboek van Strafrecht), Mondelinge belediging (artikel 266 Wetboek van Strafrecht), en Opzettelijke mishandeling (artikel 300 Wetboek van Strafrecht), naar aanleiding van aangifte PL13-2015251055-1 gedateerd op 10 november 2015. Dit betreft een voorlopige versie van het bezwaar, vanwege het weigeren van de Officier van Justitie, de Politie Amsterdam en de Strafgriffie om verdachte het strafdossier te laten inzien, ook niet bij en na verhoor (artikel 30 Sv) en niet na dagvaarding (Sv artikel 33 en 50 lid 4). Dat alleen al is een ernstige schending van de beginselen van een goede procesorde. Het bezwaarschrift bevat 19 pagina’s, exclusief de bijlagen A-O.

Geseponeerd

Ondergetekende maakt hierbij bezwaar tegen de vervolging. Allereerst is bij het overhandigen van de ‘Gedragsaanwijzing’ op 11 november 2015 (proces-verbaal, pagina 60) aan Oortwijn mondeling toegezegd, dat zij niet verder vervolgd zou worden, omdat Politie en OM “dit nu als een civiele zaak beschouwen”. Dit gesprek met een Officier van Justitie en agent Hayo Px vond plaats in de hechteniscel van Oortwijn, aan de Marnixstraat, 5-10 minuten alvorens zij werd vrijgelaten, omstreeks 22.00h. Als een Officier van Justitie en politie aangeven dat een zaak niet strafrechtelijk vervolgd zal worden, dan zou dit op basis van artikel 255 Sv en op basis van het vertrouwensbeginsel niet meer moeten gebeuren (artikel 255 lid 1 en 2).

Ook de gang van zaken rondom het inplannen van een eerste rechtszitting was in strijd met het vertrouwensbeginsel. In de brief van het OM van 19 september jl. is Oortwijn voorgehouden, dat zij hetzij (optie a) onderzoekswensen kon indienen, welke mogelijk behandeld zouden worden in een regiezitting, danwel (optie b) geen onderzoekswensen indienen en daardoor direct kiezen voor een inhoudelijke behandeling op een rechtszitting. Zij koos voor de tweede optie en verwoordde dat in haar respons aan de Officier van Justitie gedateerd op 25 november 2016 (bezwaarschrift, bijlage JK). Opnieuw verbreekt de Officier van Justitie een belofte en opnieuw is dat in strijd met het vertrouwensbeginsel. Op eigen initiatief verzoekt de Officier van Justitie om een regiezitting, tegen eerdere berichtgeving in, wederom zonder enige toelichting over het waarom van de verandering van het standpunt.

Recht op verdediging

Niet alleen wordt Oortwijn alsnog vervolgd, de handelswijze van Justitie ten aanzien van Oortwijn is op velerlei vlakken onrechtvaardig. Dat komt kennelijk door de (onterechte) registratie als “Potentieel Gewelddadige Eenling” (art 284 Sv). Oortwijn’s verzoeken om de bewijsmiddelen in te zien die aanleiding vormen voor deze registratie, zijn tot op heden niet gehonoreerd (bezwaar, bijlage M). Ook Oortwijn’s verzoeken om de bewijsmiddelen en het strafdossier in te zien achter de huidige vervolging naar aanleiding van de aangifte van Marijke X, worden niet gehonoreerd (bezwaar, bijlage JK, L en M). Daarbij komt dat het Openbaar Ministerie de vertrouwensrelatie tussen de advocaat en cliënt ondermijnt (paragraaf 5 in bezwaarschrift).

Er is onvoldoende belastend bewijs

De vervolging met parketnummer 13/6507X door de Officier van Justitie is gebaseerd op een valse aangifte PL13-2015251055-1. In proces-verbaal van relaas PL13-2015251055 en achterliggende documenten wordt duidelijk, dat er geen belastende bewijzen zijn, behalve één valse aangifte en twee zeer vage en volstrekt ongeloofwaardige getuigenissen van goede bekenden van de aangeefster, waaronder haar 9-jarige zoontje. Deze twee getuigenissen ondersteunen de aangifte niet wat betreft de vermeende bedreiging, niet wat betreft de vermeende mishandeling, en onvoldoende wat betreft de vermeende belediging.

Wegens gebrek aan bewijs is het geen serieuze zaak die tot veroordeling kan leiden (artikel 9a Sr; artikel 262 lid 5 Sv). Er is onvoldoende aanwijzing van schuld van verdachte. Er is niet eens bewijs dat er sprake was van enig delict tegen Marijke X op 10 november 2015! Het Openbaar Ministerie heeft niet eens bewijs laten zien, dat Oortwijn op 10 november 2015 langs de Amstel liep, wat overigens bij Oortwijn’s eigen woning om de hoek is. Het Openbaar Ministerie heeft mogelijk zelfs verzuimd om sporenonderzoek te doen of zij laat de resultaten daarvan buiten de processtukken (artikel 132a Sv).

Het bezwaar wordt hieronder uiteen gezet. In paragraaf 1 wordt o.a. beschreven hoe een (onterechte) registratie als “Potentieel Gewelddadige Eenling” in 2012 als resultaat kan hebben, dat er tegen een gewone burger buitenproportionele politionele middelen worden ingezet en rechten stelselmatig worden geschonden. De huidige vervolging op basis van een valse aangifte, is het gevolg van deze registratie als “Potentieel Gewelddadige Eenling”. Deze achtergrond wordt uitgebreid beschreven in paragraaf 1 (pagina 3-9 van bezwaarschrift). In paragraaf 2 (pagina 10) van het bezwaarschrift wordt o.a. laten zien, hoe de registratie als “Potentieel Gewelddadige Eenling” leidt tot allerlei kleinzerige en zelfs aantoonbaar onware meldingen in het politie bedrijfsprocessensysteem vanuit de sociale omgeving van Oortwijn (bijlage E van bezwaar). Zo blijft er een melding van een buurman terugkomen van een “ruzie met een bijl over een schutting”, hoewel politie destijds heeft vastgesteld en klager heeft erkend, dat er van een bijl geen sprake was en deze opmerking van de buurman onjuist was. In paragraaf 3 van het bezwaarschrift stelt verdediging o.a., dat er geen serieus belastend bewijs is, behalve één aangifte van Marijke X (pagina 11). Paragraaf 4 (pagina 12-13) beschrijft een bezwaar op de gevoegde zaken van belediging in 2014 en schade aan een grasperk in 2015. In paragraaf 5 (pagina 14-17) wordt o.a. uiteen gezet, hoe de Politie, het OM, de Strafgriffie en zelfs Oortwijn’s (voormalige) advocaat, haar recht op een verdediging ernstig belemmeren. Hierna (pagina 18) wordt nogmaals benadrukt hoe dit alles een ernstige schending vormt van de beginselen van een goede procesorde.

1. Achtergrond vervolgen Oortwijn: “Potentieel Gewelddadige Eenling”

De aangifte PL13AD-2014053884-1 van Marijke X, geboren 12/11/19xx, wat betreft een (vermeende) belediging op een website in 2014 (pagina 36-37 in PL1300-2015251055), is gedaan naar aanleiding van een verzoek vanuit de politie (PL13AD-2014053884, pagina 1, 3e alinea van onder). In 2015 (datum onbekend) zou Marijke X ook een sticker gevonden hebben op haar voordeur, met de tekst “Free Maud Oortwijn” erop. De wijkagent zou speciaal zijn langs gekomen voor de sticker, om deze sticker voor Marijke X te verwijderen (afmeting onbekend). Enig bewijs van deze sticker ontbreekt tot op heden. In beide gevallen is de politie buitengewoon pro-actief, als het gaat om Maud Oortwijn.

Oortwijn stelt, dat diverse politiemeldingen op verzoek van politie gedaan worden in het kader van Oortwijn’s registratie als “Potentieel Gewelddadige Eenling”. Ook de huidige (valse) aangifte van Marijke X en vervolging met parketnummer 13/6507X is gedaan in die context. Daarom zet het Openbaar Ministerie alles-op-alles, om tevens een oordeel van een psychiater en psycholoog te krijgen. Het dossier dat er ligt naar aanleiding van de aangifte van X, geeft daar geen enkele aanleiding toe. Er ligt niet eens bewijs dat er een delict gepleegd is tegen X, laat staan dat Oortwijn deze gepleegd zou hebben. De huidige vervolging van het Openbaar Ministerie is onderdeel van de aanpak van het Team Dreigingsmanagement van de Landelijke Eenheid Politie voor “Potentieel Gewelddadige Eenlingen”.

1.1 Onterechte registratie als “Potentieel Gewelddadige Eenling”

In 2012 is verdachte, G.J.M. Oortwijn, (en zonder hierover geïnformeerd te zijn) onterecht geregistreerd als “Potentieel Gewelddadige Eenling” (bijlage A, bezwaarschrift, Brief Politie, pagina 3).

  1. Oortwijn geeft toe kritisch te denken over leden van het Koningshuis en over delen van het regeringsbeleid (haar politieke gezindheid), maar zij heeft geen regeringsleden ooit fysiek lastig gevallen, nimmer zaken van hen vernield, hen nooit bedreigd, of ernstiger delicten. Oortwijn kan zich niet herinneren in de laatste 10 jaar zelfs maar in Den Haag te zijn geweest.
  2. Oortwijn heeft nog nooit onder behandeling gestaan van een psycholoog of psychiater. Ook heeft zij geen psychische of psychiatrische klachten.
  3. Er is geen historie van geweld tegen zichzelf of anderen.

Oortwijn ontkent een bedreiging van Willem-Alexander van Oranje of andere leden van het Koningshuis. De registratie als “Potentieel Gewelddadige Eenling” is volstrekt onterecht en ronduit beledigend voor Oortwijn. “Naar aanleiding van deze onterechte registratie als “Potentieel Gewelddadige Eenling” worden tegen Oortwijn jarenlang politionele middelen ingezet, waarvoor deze niet zijn bedoeld. Dat gebeurt in ieder geval sinds 2012. Er is ook geen registratie van enige aangifte in het (politie) bedrijfsprocessensysteem, welke een aanleiding zou kunnen zijn geweest voor de registratie als “Potentieel Gewelddadige Eenling”.

De politie Amsterdam Amstelland erkent dat Oortwijn sinds 2012 gevolgd wordt door het Team Dreigingsmanagement van de Landelijke Eenheid. Volgens het Team Dreigingsmanagement zou Oortwijn contact hebben opgenomen met het secretariaat van de Koningin (brief Politie, bijlage A), met een verzoek (voormalig) Koningin Beatrix en/of de prins van Oranje te willen spreken en daarbij gedreigd hebben ‘zaken’ te zullen openbaren. Hiervan is geen aangifte gedaan. Oortwijn verzoekt inzage in de gegevens die hierover én naar aanleiding hiervan zijn vastgelegd. Oortwijn erkent, dat zij meerdere regeringsleden in vriendelijke woorden schriftelijk verzocht de tegenwerkingen die Oortwijn ervaart, te doen stoppen. Haar brieven zijn geenszins een dreigen geweest. Ook om een persoonlijk gesprek is door haar niet verzocht. Overigens heeft Oortwijn met Willem-Alexander van Oranje nog nooit contact gezocht. Hij was in die tijd kroonprins.

In een brief gedateerd 13 juli 2015 (bijlage A) laat de politie Amsterdam Amstelland weten aan Oortwijn, dat zij op dat moment inschatten dat Oortwijn volgens hen geen gevaar is voor haarzelf of haar omgeving. Ook erkent de politie, dat de wijkagent in opdracht van het Team Dreigingsmanagement contact heeft opgenomen met Oortwijn, in het kader van hulpverlening. Waarom staat Oortwijn in 2015 nog steeds geregistreerd als PGE? Er is kennelijk jarenlang geen gevaar gesignaleerd. De PGE-registratie en het volgen door de Politie zijn in ieder geval begonnen in 2012. Het is december 2016.

Als regeringsleden (of hun hofhouding cq. medewerkers) zich beledigd of anderszins ongemakkelijk voelen door een mening of positie van een burger, dan zijn er andere (ook juridische) middelen die zij kunnen inzetten, bijvoorbeeld het schrijven van een verzoek aan Oortwijn of het indienen van een aangifte cq. klacht tegen Oortwijn van belediging. Menen regeringsleden daadwerkelijk bedreigd te zijn (artikel 284 Sr?), dan kunnen zij daarvan aangifte doen en het bewijs overleggen, indien zij bewijs kunnen overleggen.

Volgens rapport “Individuele bedreigers van publieke personen in Nederland” (bezwaar, bijlage B, NCTb), richt het Team Dreigingsmanagement zich op aangiftes van bedreiging door landelijke politici (ook zonder dat een bedreiging vervolgbaar is en/of er wettelijk sprake is van een bedreiging). Het traject van “Potentieel Gewelddadige Eenling” zou beginnen met een aangifte van een landelijke gezagsdrager (NCTb, 2010). In het geval van Oortwijn is geen concrete melding (in het bedrijfsprocessensysteem) gedaan van een aangifte tegen haar in 2011/2012, die ten gronde zou kunnen liggen aan een registratie. Een (vermeend) klachtdelict als “bedreiging met smaad of smaadschrift” (artikel 284 Sr), kan alleen vervolgd worden op basis van een ondertekende aangifte, met daarin een nadrukkelijk verzoek tot vervolging, door de zich bedreigd voelende klager (artikel 164 Sv). Hiervan is in het geval van Oortwijn geen sprake geweest. Er ligt geen aangifte bij de politie! De redelijke termijn (3 maanden) is ondertussen ook verlopen.

Volgens rapport “Individuele bedreigers van publieke personen in Nederland” (bijlage B, NCTb, op blz 52 van het rapport) worden verdachten (die voor het eerst geregistreerd worden als PGE) altijd gehoord door de politie. Dat is bij Oortwijn niet gebeurd, wat in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. Zij was niet op de hoogte, waar anderen wél op de hoogte zijn gebracht van de mogelijke registratie als “Potentieel Gewelddadige Eenling”.

De verdachten van bedreigingen worden, indien ze achterhaald kunnen worden, altijd gehoord door de politie. Ofwel door het team bedreigde politici, ofwel door de politie van de regio waar ze wonen. Deze verhoren lijken een interventie op zich te zijn. Na politiecontact is er nauwelijks sprake van recidive. Een aantal personen heeft meerdere bedreigingen geuit maar is daar na politiecontact meestal mee opgehouden.” (pagina 51, in: Individuele bedreigers van publieke personen, bijlage B)

In het geval van Oortwijn is men overgegaan tot PGE-registratie, zonder duidelijke gronden en zonder verhoor, laat staan recidieve van dreigementen. In het geval van een verhoor als verdachte, was er recht op inzage geweest in de bewijzen (artikel 30 Sv). Oortwijn vermoedt, dat de politie inzage heeft willen voorkomen, door Oortwijn niet formeel te verhoren. Welke bewijsmiddelen heeft het Team Dreigingsmanagement, op basis waarvan zij menen de PGE-registratie en de daarop volgende “Persoonsgerichte Aanpak” te kunnen toepassen? Is er enig bewijs van een bedreiging van regeringsleden? Oortwijn stelt dat dit niet het geval is.

1.2 Werkwijze Team Dreigingsmanagement

Het Team Dreigingsmanagement maakt onderdeel uit van de Landelijke Eenheid van de politie (voorheen KLPD). Dit Team Dreigingsmanagement registreert de volgens hen zogenaamde “Potentieel Gewelddadige Eenlingen”, om hierna een aanpak te ontwikkelen waarmee de “dreiging kan worden weggenomen”. Oortwijn merkt op, dat de benaming van het team niet “Bedreigingsmanagement” is. In de naamgeving wordt al toegegeven, dat het niet alleen gaat om het “weg managen” van bedreigers, maar ook van burgers waarvan er een vermoeden is, dat zij in de toekomst mogelijk iemand zullen bedreigen. Het gaat hen niet om het daadwerkelijke gedrag van de zogenaamde “Potentieel Gewelddadige Eenling”, maar om de perceptie van een risico voor landelijke gezagsdragers, ook als zij niet in de buurt zijn van. Dat is een hellend vlak.

Bij de “Potentieel Gewelddadige Eenling” (PGE) gaat het óók om personen, die gevolgd worden vanwege delicten die mogelijk niet (of niet aantoonbaar) gepleegd zijn en die ook niet (of niet aantoonbaar) onder voorbereiding zijn. Desondanks wordt er een breed integraal maatschappelijk offensief gestart tegen een persoon, zonder dat duidelijk is hoe deze bezwaar kan aantekenen.

GGZ, politie, gemeenten, het OM, zorgorganisaties en diverse andere spelers hebben een rol rond risicovolle eenlingen. Individuele professionals zoeken vaak naar mogelijkheden binnen hun taken en verantwoordelijkheden. Risicovolle eenlingen zijn mensen waarbij een afweging gemaakt moet worden tussen justitiële vervolging of behandeling omdat iemand ziek is. Of een combinatie van die twee. Vervolging als blauwdruk is niet altijd mogelijk” (Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing, 2016, opgenomen in bijlage D van dit bezwaarschrift).

De werkwijze is er onder andere op gericht, om een “Potentieel Gewelddadige Eenling” (a) vanuit alle hoeken gecoördineerd en stelselmatig in de gaten te houden en (b) zoveel mogelijk dossier op te bouwen (meldingen) bij de Politie en/of GGD. De registratie gebeurt, als de perceptie van dreiging (merk op: niet bedreiging of een ander delict!) er is en vervolging niet realistisch is: Vervolging als blauwdruk is niet altijd mogelijk” Het doel is om de “Potentieel Gewelddadige Eenling” vanuit multifunctionele teams naar een GGZ-traject te dwingen of alsnog een vervolging te bewerkstelligen. Er worden congressen en trainingen aangeboden, om deze gang van zaken als “gewoon” en “nodig” te presenteren aan hulpverleners (bijlage D). Vanuit de Landelijke Eenheid Politie wordt hierbij zelfs opgeroepen, om niet langer alleen het beroepsgeheim te schenden in uitzonderlijke gevallen, als er zwaarwegende maatschappelijke belangen zijn. Er wordt aangedrongen op het vaker delen van informatie over risicovolle cliënten.

GGZ-professionals wordt gevraagd om naar cliënten te kijken met de bril van “is dit PGE-materiaal?” (brief van de minister van Justitie aan de Tweede Kamer gedateerd 5 september 2013, zie bijlage C). Diverse beroepsgroepen (huisartsen, psychologen, psychiaters) zijn aangemoedigd vaker hun beroepsgeheim te schenden (art. 272 Wetboek van Strafrecht).

Tijdens het congres kwam aan de orde dat ook het beroepsgeheim of de wettelijke zwijgplicht het delen van informatie over casussen tussen de verschillende samenwerkingspartners in de weg kan staan. Maar dat hoeft niet. Met het zorgvuldig doorlopen van een aantal stappen kan een individuele zorgmedewerker meer informatie delen dan vaak word gedacht. Bijvoorbeeld bij een conflict van plichten: de professional dient te zwijgen op grond van zijn geheimhoudingsplicht, maar is tegelijkertijd (moreel) verplicht om derden informatie te verschaffen om gevaar af te wenden” (Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing 2016, over “Potentieel Gewelddadige Eenlingen”, in bijlage C).

De werkwijze is strijdig met de artseneed, wat betreft: het beroepsgeheim, het voorop stellen van het belang van de patiënt, en de belofte de beschikbaarheid en toegankelijkheid van de gezondheidszorg te bevorderen.

De werkwijze van het Team Dreigingsmanagement is discutabel. De bestaande wetgeving dekt ook niet alles af, wat het Team Dreigingsmanagement zou willen. Dat wordt erkend door het Ministerie van Justitie.

Een deel van de problemen ligt in bestaande wet- en regelgeving. Kan de politiek hier een rol in spelen door voorstellen tot wetswijzigingen in te dienen? Er wordt veel verwacht van de nieuwe Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg. Helaas laat die al lang op zich wachten en is het de vraag of die wet voor risicovolle eenlingen een oplossing biedt” (Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing 2016, over “Potentieel Gewelddadige Eenlingen”).

Dat belet het Team Dreigingsmanagement niet om zich te presenteren als vergelijkbaar met het Centrum voor Consultatie en Expertise (CCE) voor de GGZ-sector:

Het Team Dreigingsmanagement (TDM) van de Politie verzorgde tijdens het congres een workshop en biedt expertise aan om een gevalideerde risicotaxatie te maken. Ook hulpverleners uit de zorg kunnen hiervoor contact opnemen. TDM is daarin vergelijkbaar met bijvoorbeeld het Centrum voor Consultatie en Expertise (CCE), dat vragen van hulpverleners over lastige dwang en drang casussen beantwoordt (Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing, over “Potentieel Gewelddadige Eenlingen”, 2016, zie bijlage D).

(Het CCE geeft volgens de eigen website “advies over cliënten in de langdurige zorg die in een uitzichtloze situatie dreigen te komen. Vaak is er sprake van ernstig probleemgedrag en perspectief op verbetering lijkt te ontbreken”. Het CCE ondersteunt zorgprofessionals wat betreft cliënten, die al een bestaand zorgtraject zitten, vrijwillig of onder dwang.) Het Team Dreigingsmanagement van de politie wil nu zorgprofessionals aanmoedigen, hun “lastige cliënten” bij het TDM een PGE-traject in te loodsen, zodat onder het mom van “groter belang” er meer “mogelijk is”? Het TDM biedt aan betrokken te worden in “lastige gevallen”, nog vóór de zorgprofessional een risicotaxatie heeft gedaan. Op hoeveel verschillende stoelen wil het Team Dreigingsmanagement zitten en vergroot of verkleint dit de maatschappelijke veiligheid? Het is een hellend vlak. Een alinea verder lezen we Of wordt er te zeer geredeneerd vanuit het (vermeende) belang van de patiënt en daarmee te weinig vanuit het perspectief van de veiligheid van de samenleving?”.

Het Team Dreigingsmanagement richt zich op personen van wie er een gevoel of perceptie van (mogelijk toekomstige) dreiging is. Een persoon geregistreerd als “Potentieel Gewelddadige Eenling” hoeft niet concreet verdacht te worden van het plegen of voorbereiden van een delict. Dat is onvoldoende grond voor een stelselmatig en ingrijpend aantasten van de rechten van een burger vanuit de politie, met niet alleen informatieverzameling maar ook optreden naar. De aanpak van de PGE gaat omhet treffen van maatregelen om in individuele gevallen preventief [!] adequaat en zorgvuldig te kunnen optreden” (brief minister van Justitie aan de Eerste Kamer, 5 september 2013, zie bijlage C). Merk op: Dit optreden gaat niet zozeer om beveiligingsmaatregelen tijdens evenementen of rondom regeringsgebouwen, de aanpak is gericht op een breed scala aan aspecten van het leven van de persoon met het label “Potentieel Gewelddadige Eenling”. Het Team Dreigingsmanagement werkt bovendien samen met zowel de AIVD als met het Openbaar Ministerie, twee overheidsfuncties die strikt van elkaar gescheiden worden sinds de Tweede Wereldoorlog. Om een beeld te vormen van een “Potentieel Gewelddadige Eenling” en de mogelijke dreiging die ervan uitgaat, wordt informatie verzameld vanuit politie, inlichtingendiensten, de gemeenten, de GGZ én de medische zorg.

Het Team Dreigingsmanagement zou zich inzetten in het geval strafrechtelijke vervolging als buitenproportioneel wordt gezien: Het strafrecht is een te zwaar en kostenintensief traject voor de afhandeling van lichtere of kennelijk onschuldige vormen van bedreiging.” Ook personen die geen delict gepleegd hebben en zelfs nog nooit een “kritische brief” gestuurd hebben, worden als doelgroep overwogen. De minister schrijft op 1 juli 2010 aan de Tweede Kamer: “… [Er] is uit de gebeurtenissen op Koninginnedag 2009 gebleken dat er extra aandacht dient te worden besteed aan de categorie “ongekende dreigers”. Dreigers die (nog) niet met het schrijven van bijvoorbeeld dreigbrieven bij de overheid bekend zijn geworden. Bij het bepalen van de beleidsmatige conclusies is daarom mede bezien of er aanknopingspunten zijn voor de aanpak van ongekende dreigers.” 

De aanleiding voor de lijst “Potentieel Gewelddadige Eenling” wordt genoemd in de brief van de minister aan de Tweede Kamer van 1 juli 2010 (bijlage B, 4e alinea in de brief). Beveiligingsmaatregelen voor de bewaking en beveiliging van bepaalde personen, worden ervaren als een beperking door die personen. Welke beveiligingsmaatregelen nodig zijn, is afhankelijk van de perceptie van dreiging. Door de dreiging zélf weg te nemen, ontstaat er meer bewegingsvrijheid voor de bewaakte en beveiligde personen [!!!].

Als er juridisch geen zaak te maken is tegen een persoon x, maar Mark Rutte (puur als voorbeeld) verwacht, dat die persoon x bijvoorbeeld een boze brief zal schrijven (mogelijk) in de komende jaren, dan kunnen politie, inlichtingendiensten en GGZ ingezet worden, om die persoon x preventief “uit te schakelen als potentiële dreiging” op één of andere wijze? Omdat dit Rutte een veilig en onbezorgd gevoel geeft?

1.3 Oortwijn is gezond van lichaam & geest en niet gewelddadig

Er is geen formele aanleiding geweest voor een registratie als “Potentieel Gewelddadige Eenling” in het geval van Oortwijn, want er is niet eens aangifte gedaan van enige delict gepleegd tegen een landelijke gezagsdrager. Bovendien is er in het geheel geen historie van fysiek geweld vanuit Oortwijn. Zij is ook gezond van lichaam en geest. De laatste keer dat G.J.M. Oortwijn haar voormalig huisarts V (praktijk K, Amsterdam) bezocht voor een kwaaltje, is meer dan 10 jaar geleden (november 2006). Deze huisarts is ondertussen met pensioen. Oortwijn heeft jaren geleden aangegeven de huisartsenpraktijk K te willen verlaten. Omdat zij geen enkele medische klachten heeft gehad sinds december 2006, is er geen nieuwe huisarts.

Nooit is Oortwijn onder behandeling van een psycholoog of psychiater geweest. Er zijn geen psychische klachten. Er is geen historie van geweld tegen de eigen persoon of anderen. Iedere suggestie dat Oortwijn “in de war moet zijn” is niet alleen een belediging voor Oortwijn, het is een schande voor de GGZ. Er zijn geen indicaties van psychische problemen. Er is geen enkele serieus te nemen diagnose geweest. Een verzoek vanuit de GGD Amsterdam, om een gesprek met Oortwijn te hebben over een behandeling, is niet alleen beledigend, het is ronduit onprofessioneel. Hoe kan iemand een gesprek over een behandeling aangaan, als er nooit een diagnose gesteld kan zijn?

De medische stand wordt als wapen ingezet tegen Oortwijn, omdat Justitie Oortwijn wil vervolgen, maar geen serieuze zaak heeft. Er is geen aangifte/bewijs, van een delict gepleegd door Oortwijn tegen een landelijke gezagsdrager in 2011 of 2012. Er is geen bewijs, dat er überhaupt een delict gepleegd is tegen Marijke X op 10 november 2015, laat staan dat er voldoende bewijs is dat Oortwijn een Marijke X iets zou hebben aangedaan. Het Openbaar Ministerie plaatst hier een bom onder de Nederlandse rechtstaat, inclusief Grondwet, internationale verdragen, en specifiek het recht van eenieder op vertrouwelijke medische zorg (artikel 88 Wet BIG), onaantastbaarheid van het menselijk lichaam (artikel 11 Grondwet), eerbiediging van privéleven (artikel 8 EVRM), en het recht op vrijheid en veiligheid (artikel II-66, Europese Grondwet).

Het simpele feit, dat G.J.M. Oortwijn sinds 1994 haar ouders niet meer ziet, dat is een keus die eenieder mag maken. In Oortwijn’s geval is het een aantoonbaar verstandige beslissing. Het is onaanvaardbaar dit tegen haar te gebruiken.

1.4 Aantasten rechten Oortwijn

Een burger tegen wie er geen case is te maken vanuit het Openbaar Ministerie, wordt in 2012 onterecht geregistreerd als PGE-er en daarna jarenlang actief gevolgd, om een zaak te fabriceren, hetzij strafrechtelijk hetzij in de GGZ. Merk op, dat het programma Dreigingsmanagement niet gaat om het volgen van bepaalde burgers enkel wanneer deze in de buurt komen van regeringsgebouwen of in de buurt van regeringsleden. Dit gaat om het intensief volgen van burgers (niet gericht op een concrete verdenking) op een breed scala aan aspecten in hun leven, voor langere tijd, zonder dat er altijd concrete verdenkingen zijn.

De gevolgen zijn merkbaar in Oortwijn’s leven, o.a. in contact met de politie, de gemeente en de buren (Vereniging van Eigenaren). Dit is een ernstige en stelselmatige inbreuk in de persoonlijke leefomgeving van Oortwijn. In het afgelopen jaar alleen al zijn in ieder geval de volgende partijen betrokken geweest in het (pogingen tot) volgen van Oortwijn: het Openbaar Ministerie, gemeente (raadslid Marijke), de politie Amsterdam Amstelland, de huisartsengroepspraktijk, de GGD Amsterdam, de Reclassering, en het NIFPP. Dat zijn tevens de partijen betrokken in het programma “Potentieel Gewelddadige Eenlingen”. Omgekeerd heeft Oortwijn geen enkele behoefte aan contact met deze partijen.

  1. Het gaat om de inzet van “opsporingsmiddelen” die een ernstige en stelselmatige inbreuk zijn op de rechten van een burger, maar niet bedoeld als opsporingsonderzoek voor specifieke delicten. Oortwijn herkent het zelf als gang stalking. De Landelijke Eenheid Politie geeft toe, dat Oortwijn stelselmatig en heimelijk door hen wordt gevolgd sinds 2012. Oortwijn stelt zelf, dat zij daarvoor ook reeds werd gevolgd en tegengewerkt. G.J.M. Oortwijn wordt in ieder geval sinds 2012 heimelijk en stelselmatig gevolgd vanuit verschillende Justitie-onderdelen. Dit kan niet uitgelegd worden als opsporingsonderzoek, omdat het volgen vanuit het Team Bedreigingsmanagement niet geïnitieerd wordt door het Openbaar Ministerie en in dit geval niet geïnitieerd wordt in verband met vervolging van concrete strafbare feiten. Er is in 2012 geen aangifte tegen Oortwijn geregistreerd in het bedrijfsprocessensysteem, ook niet van (vermeende) bedreiging. De inzet van politionele middelen is ernstig, heimelijk en stelselmatig, maar het betreft geen inzet van middelen zoals bedoeld in de Wet BOB. Er wordt immers niet uitgegaan van georganiseerde criminaliteit, gezien het label “Eenling”. En ideologische (terroristische) activiteiten van eenlingen is al helemaal niet aan de orde, wat bevestigd wordt in de brief van de minister aan de Kamer op 5 september 2013 op pagina 4 (“ideologische dreiging” wordt beschouwd als het werk van inlichtingendiensten).
  2. Een registratie van Oortwijn als “Potentieel Gewelddadige Eenling” op basis van een (kritische) mening van Oortwijn, is een bedreiging voor iedereen met een eigen mening (Grondwet artikel 7). Er gaat een voorbeeldwerking vanuit: Kan iedereen vanuit dit Team Dreigingsmanagement jarenlang achtervolgd worden door Justitie en andere hulpdiensten, als een mening iemand uit de regering niet zint? Daar zijn andere middelen voor, zoals een (klacht)aangifte van het klachtdelict belediging. Door de recente vervolging door het OM is Oortwijn al geneigd voorzichtiger geworden met het aangaan van maatschappelijke discussies met mensen in haar omgeving.
  3. Diverse zorgverleners werken mee aan deze agenda (huisarts, GGD, Arkin). Hierdoor worden niet alleen beroepsgeheimen geschonden, ook verliest de arts de neutraliteit en daardoor de vertrouwensrelatie met een (potentiële) cliënt (artikel 88 Wet BIG). De werkwijze maakt in de praktijk de verschillende zorgverleners voor een (nadenkende) geregistreerde PGE-er ontoegankelijk. Er blijft weinig meer over van de artseneed van de KNMG en de VSNU (2003).
  4. Als Oortwijn een aangifte wil doen en het politiebureau inloopt, reageert de politie vreemd vanaf het moment dat zij zich heeft geïdentificeerd (én zij eerst in het systeem kijken). De reactie is daarna standaard met woorden als “u komt verward over” en “wij nemen geen enkele aangifte van u aan, tenzij u zich eerst laat onderzoeken door een psycholoog”. Dit gebeurt nog vóór er überhaupt een gesprek heeft plaats gevonden over de inhoud van de aangifte die Oortwijn wil doen. Oortwijn wordt zo belemmerd in haar recht op het doen van aangifte (artikel 161 Sv).
  5. Sinds begin 2016 staan er met enige regelmaat, zonder aanleiding, psychologen en psychiaters voor haar voordeur (waar Oortwijn geen woord mee wisselt). Oortwijn ontving meerdere brieven van het Vangnet van de GGD, behandelaar Arkin te Amsterdam, en twee onderzoekers vanuit het NIFPP. Dit kan niet gezien worden als een gevolg van een oprechte zorg (de toon is dreigend, en helemaal als men aanbelt en roept dat er opengedaan moet worden). Het gedrag van psychologen en psychiaters kan alleen uitgelegd worden als een consequentie van het label “Potentieel Gewelddadige Eenling”. Recentelijk stelde een psychiater van de GGD zelfs in een brief voor, om een gesprek aan te gaan over een behandeling (mogelijk onder dwang), terwijl er geen enkel contact is geweest, waarin een diagnose kan zijn gesteld. Oortwijn heeft geen psychologische of psychiatrische problemen! Het duwen richting de GGZ is typerend voor de aanpak van het Team Dreigingsmanagement.
  6. Oortwijn heeft dankzij het Team Dreigingsmanagement al jaren te maken met mensen in haar omgeving (burgers, zoals collega’s, buren, en zelfs enkele huurders in haar eigen huis) die haar lastig vallen, continue ruzie zoeken, dan wel provoceren om een reactie uit te lokken (art 8 EVRM; artikel 7 EU-Grondwet). In 99 van de 100 gevallen reageert Oortwijn in het geheel niet en een enkele keer reageerde zij puur verbaal. Het is niet alleen gang stalking, het is ook uitlokking van een agressieve reactie bij Oortwijn. Uit de politiemeldingen blijkt, dat deze gedragingen/klachten in de omgeving van Oortwijn aangemoedigd worden door de politie (zie paragraaf 2 en bijlage E van dit bezwaarschrift). Dit benaderen van de sociale omgeving van Oortwijn is onderdeel van de aanpak van het Team Dreigingsmanagement.
  7. De politie Amsterdam Amstelland contacteert de omgeving van Oortwijn met het verzoek om zoveel mogelijk meldingen, klachten en aangiftes in te dienen tegen Oortwijn (zie ook paragraaf 2). Dit is niet goed voor de sfeer in de buurt. Het is voor Oortwijn reden om al jaren niet naar de VVE-vergadering te gaan. In politiemeldingen (van buren) staan niet alleen zware overdrijvingen, maar ook leugenachtige verklaringen (zie tevens paragraaf 2 en bijlage E van bezwaarschrift). Er wordt een negatief beeld van Oortwijn geschetst in het politiesysteem, wat haar nog jarenlang zal achtervolgen. Bovendien is Oortwijn stelselmatig aangetast in haar recht op respect voor privé-leven, familie- en gezinsleven, en woning (artikel 7 EU-Grondwet).
  8. Op 10 november 2015 deed Marijke X een leugenachtige aangifte, volgens Oortwijn met als doel om de aanpak van Team Dreigingsmanagement voor “Oortwijn richting GGZ” te steunen.

Deze registratie als “Potentieel Gewelddadige Eenling” is onterecht: Oortwijn heeft geen (voormalig) regeringsleden bedreigd, volgens artikel 285 Wetboek van Strafrecht. De voormalig Koningin Beatrix schreef zij in 2012 aan, in vriendelijke bewoordingen, om de Majesteit te vragen de tegenwerkingen te doen stoppen. Het heeft niet mogen baten. Met Willem-Alexander van Oranje heeft zij nog nooit contact gezocht.

Deze inzet van politionele middelen vanuit het Team Dreigingsmanagement past niet binnen het Wetboek van Strafvordering of de Wet BOB. Als iemand zich beledigd of ongemakkelijk voelt, zijn er passender wegen, dan het jarenlang volgen van Oortwijn in het kader van een programma als “Potentieel Gewelddadige Eenling”. Oortwijn heeft overigens nimmer een verzoek of klacht gezien, waarin aan haar gevraagd is een bepaalde mening over regeringsbeleid of het Koningshuis niet te uiten. Er is onvoldoende grond voor de werkwijze van het Team Dreigingsmanagement, om Oortwijn actief te volgen en haar omgeving te benaderen, met verzoeken om klachten, meldingen, en aangiftes tegen Oortwijn te doen. Helaas gaan bepaalde mensen daar ver in mee, als zij menen het Team Dreigingsmanagement of regeringsleden te kunnen paaien. Dat is wat er gaande is, in de strafzaak met parketnummer 13/6507X.

1.5 Bedreiging “Huis van Thorbecke”

Artikel 42, lid 2 van de Grondwet: “De Koning is onschendbaar, de ministers zijn verantwoordelijk”.

Als Oortwijn op een lijst “Potentieel Gewelddadige Eenlingen” staat, onterecht, dan worden er vanuit Justitie in opdracht van het Koningshuis in steeds ernstiger mate, elementaire mensenrechten geschonden van Oortwijn. Het volgen en vervolgen van Oortwijn door Justitie is hierdoor mogelijk in strijd met Grondwetsartikel 42. Als Willem-Alexander van Oranje weet heeft van dit volgen en vervolgen, dan is de vervolging van Oortwijn tegelijk ook een aanval vanuit het Openbaar Ministerie op het Koningshuis.

De ministeriële verantwoordelijkheid (artikel 42) dekt volgens de Grondwet “vergissingen” af van de Koning, omdat het de taak is van de ministers om de Koning te begeleiden in alles (de ministeriële verantwoordelijkheid, opgenomen in de Grondwet van 1948). Echter, de ministeriële verantwoordelijkheid en koninklijke onschendbaarheid dekt geen strafbare feiten af (Thorbecke: Aanteekening op de Grondwet, 1841 en Thorbecke, Rechtsgeleerd bijblad, 1941; Nifterink, 2010). In dat laatste geval moet “The king can do no wrong”juist worden uitgelegd, als een situatie waarin blijkt, dat de persoon die Koning is, geen Koning meer kan zijn. Als in opdracht van de Koning, Oortwijn’s rechten zouden worden geschonden via Justitie (het OM en de Landelijke Eenheid werken samen in het geval van een “Potentieel Gewelddadige Eenling”), dan is door de handelswijze van de Landelijke Eenheid, de Politie Amsterdam Amstelland en het Openbaar Ministerie het koningschap van Willem-Alexander in gevaar. Het oude Romeinse adagium Princeps legibus solutus est” (De vorst is niet gebonden aan de wetten), is nadrukkelijk afwezig in het “Huis van Thorbecke” met de ministeriële verantwoordelijkheid, in de Grondwet sinds 1848. Nogmaals: als Willem-Alexander van Oranje weet heeft van dit volgen en vervolgen, dan is de vervolging van Oortwijn tegelijk ook een aanval vanuit het Openbaar Ministerie op het Koningshuis (niet op verzoek van Oortwijn).

Oortwijn staat ten onrechte geregistreerd als “Potentieel Gewelddadige Eenling”. Zij heeft geen leden van de regering bedreigd. Er is geen historie heeft van psychische en/of psychiatrische problemen. Er is geen historie van fysiek geweld tegen zichzelf of anderen. Vanaf het moment van registratie in 2012 (en mogelijk ook daarvoor) zijn (onterecht) bevoegdheden van Justitie ingezet tegen Oortwijn, die een stelselmatige aantasting van haar rechten inhouden op diverse aspecten van haar leven. Dit gaat om een inzet van politionele middelen, waarvoor deze niet zijn bedoeld. Niet alleen omdat Oortwijn niet gedreigd heeft, maar ook omdat het optreden naar aanleiding van de PGE-aanpak, een straf an sich is (in strijd met EVRM artikel 6 lid2). De overheid mag een publieke bevoegdheid niet anders aanwenden, dan waarvoor zij is gegeven (Zuiverheid van oogmerk) De aangifte van X heeft als doel, om eindelijk iets in het politiedossier van Oortwijn te kunnen stoppen, wat “een klein beetje lijkt” op iets wat aanleiding zou kunnen zijn voor een registratie als “Potentieel Gewelddadige Eenling”. Overigens is de aangifte in 2015 van Oortwijn’s ex-collega Marijke X (destijds ook Boer & Croon) in geen geval een voldoende verklaring voor de registratie als “Potentieel Gewelddadig Eenling” in 2012, en niet alleen vanwege de datum van beide. In de eerste jaren van de pilot “Potentieel Gewelddadige Eenlingen” was het Team Dreigingsmanagement alleen gericht op het Rijksdomein. Marijke X was gemeenteraadslid in Amsterdam en geen landelijk bekend bestuurder. Marijke X’s aangiftes zijn zeer waarschijnlijk gedaan naar aanleiding van de PGE-registratie, niet andersom.

2. Historie van onjuiste meldingen

De omgeving van Oortwijn wordt actief aangezet om meldingen/aangifte te doen bij de GGD en de Politie. Het resulteert in meldingen die op geen enkele wijze uit te leggen zijn als zorgmeldingen of politie-meldingen/aangiftes. In de bijlagen zijn deze uitgewerkt, voor zover dit voor Oortwijn mogelijk is. Ondanks drie verzoeken aan de Officier van Justie, politiebureau Amsterdam Amstelland, en de GGD, heeft zij nog niet een uitdraai van de melding in volledigheid mogen ontvangen. In bijlage E treft u een toelichting aan voor wat betreft de meldingen/klachten, waarvan Oortwijn een redelijk vermoeden heeft, wat het betreft.

Er wordt in de loop der jaren bewust een onjuiste en negatieve beeldvorming gecreëerd van Oortwijn. Dat verslechtert de verhoudingen tussen buren onderling. Oortwijn kiest er om die reden voor afstand te houden en bijvoorbeeld niet naar VVE-vergaderingen of buurtborrels te gaan.

Hoewel er enkele woordenwisselingen zijn geweest met buren sinds Oortwijn in 2003 naar dit adres verhuisde, is het merendeel van de meldingen volstrekt onwaar (bijlage E).

  1. Zo is er een melding (proces-verbaal, pagina 38), over dat Oortwijn zou een “vuurtje stoken in de schuur”, als zij in werkelijkheid een veilige (tuin)kachel aansteekt in haar zithoek buiten (bijlage E).
  2. Er waren twee meldingen dat Oortwijn “vermist is” (proces-verbaal, pagina 39), als zij op vakantie gaat zonder buren te verwittigen. Dat is niet ongebruikelijk als er geen goed contact is onderling.
  3. Meerdere malen wordt gesproken over een “aanval van een bijl over een schutting met de buren” (BVH 2014250294 op pagina 39 van proces-verbaal) (!!!), hoewel ondertussen door zowel politie als klager zelf toegegeven is -met excuses- dat dit onjuist was (Oortwijn heeft in 2009 rustig haar eigen oude tuinschutting vervangen, die geheel op haar eigen grondgebied stond, zonder dat er ook maar een bijl aan te pas kwam, zie bijlage E en F). De politie heeft naar aanleiding van deze burenruzie minstens 8 keer vermanend contact opgenomen met Oortwijn, alsof zij ergens schuldig aan zou zijn (bijlage F, brief Politie 30 juni 2011). Naar aanleiding van dit incident heeft de buurman weken later uiteindelijk moeten erkennen, dat de erfgrens inderdaad 15 centimeter verderop lag (ten gunste van Oortwijn), volgens het kadaster, zodat de oude verwijderde schutting geheel op grondgebied van Oortwijn stond. Het verhaal over een “zwaaien met een bijl” is in het geheel onwaar (bijlage F).

Dit alles draagt niet bij aan gezonde buurrelaties. Als Oortwijn haar buren daarop aanspreekt (wat zij enkele jaren geleden nog deed), lachen zij haar uit. Dat is kennelijk onderdeel van de “PGE-aanpak”. Er is geen normaal gesprek mogelijk. Mevrouw Oortwijn kiest er ondertussen voor, om haar buren te ontwijken. Verder zorgt zij ervoor, dat er vanuit haar woning geen “overlast is”. Dat is voor haar nu een oplossing die werkt.

Buurt rondom Bevrijdingsconcert

De meldingen zijn vanuit de Landelijke Eenheid helaas relatief eenvoudig om te realiseren, omdat in de buurt rondom de locatie van het Bevrijdingsconcert op 5 mei (dus in de directe omgeving van Oortwijn), vanwege veiligheidsoverwegingen bijna alleen mensen wonen, die Koningsgezind zijn en/of werken voor Justitie. Dit vergemakkelijkt de beveiliging van het jaarlijkse Bevrijdingsconcert. Het “wegneming van mogelijke dreiging” is in de loop der jaren gerealiseerd, door Stadsherstel en door te sturen bij de verkoop/verhuur van woningen in dit deel van Amsterdam. Dat is kennelijk eenvoudiger, dan in de weken voor het concert op 5 mei alle activiteiten van iedere bewoner in de gaten te houden. Het resultaat is, dat in de omgeving van Oortwijn bijna alleen mensen wonen, waarin de Dienst Bewaken en Beveiligen een zeer sterk vertrouwen heeft. Van deze mensen weet men zeker, dat zij vijandig zouden staan naar eenieder die maar enigszins (mogelijk) kritisch zou zijn tegenover het Koningshuis of de Nederlandse regering. In bijlage E zijn de politiemeldingen in het Bedrijfsprocessensysteem nader toegelicht. Het maakt duidelijk dat de berichtgeving vanuit het Openbaar Ministerie gekleurd is en deels aantoonbaar onwaar (o.a. de bijl).

Deze handelswijze past bij de aanpak van het Team Dreigingsmanagement. In het geval van Oortwijn is men onterecht tot registratie overgegaan, namelijk niet op basis van een aangifte of verdenking van een delict.

3. Gebrek aan bewijs

De vervolging met parketnummer 13/6507X door de Officier van Justitie is gebaseerd op een valse aangifte PL13-2015251055-1. In proces-verbaal van relaas PL13-2015251055 en achterliggende documenten wordt duidelijk, dat er geen belastende bewijzen zijn, behalve één aangifte van Marijke X. Marijke X is een ex-collega van Oortwijn van Boer & Croon (2007/2008).

Daarnaast zijn er twee zeer vage en volstrekt ongeloofwaardige getuigenissen van goede bekenden van de aangeefster, waaronder haar 9-jarige zoontje. Deze twee getuigenissen ondersteunen de aangifte niet wat betreft de vermeende bedreiging, niet wat betreft de vermeende mishandeling, en onvoldoende wat betreft het vermeende delict belediging.

Wegens gebrek aan bewijs is het geen serieuze zaak die tot veroordeling kan leiden (art 262, lid 5).

Er is niet eens bewijs dat er sprake was van een delict tegen Marijke X op 10 november 2015. Marijke X verklaart over een vernielde fiets, één of meerdere stompen op de arm, een bedreiging met de dood en belediging. Er is aan de verdediging geen bewijs overlegd, dat deze delicten überhaupt gepleegd zijn tegen Marijke X op 10 november. Er is slechts een verklaring van Marijke X.

  • Geen foto van een vernielde fiets.
  • Geen omschrijving, foto of doktersverklaring van enige letsel bij Marijke X.
  • Geen getuige die verklaart over een waarneming van de mishandeling
  • Geen getuige die verklaart over een waarneming van de vernieling van de fiets.
  • Geen getuige die verklaart over een doodsbedreiging (alleen Marijke X zelf).
  • Geen sporenonderzoek op de fiets.
  • Geen sporenonderzoek op de voordeur.
  • Geen sporenonderzoek op de kleding van Marijke X.
  • Geen bandopname van het vermeende telefoongesprek van Marijke X met de politie/112.
  • Geen camerabeelden waarop de vermeende delicten zijn vastgelegd.
  • Geen foto/omschrijving van het fietskussentje (incl afmeting) en de schade aan het elastiekje.

Er heeft wel een buurtonderzoek plaats gevonden, maar daaruit blijkt, dat niemand iets gezien of gehoord heeft, wat lijkt op een ruzie, handgemeen of vernieling. Het buurtonderzoek is ontlastend bewijs.

Tot op heden heeft Oortwijn vanuit de Officier van Justitie niet eens bewijs gezien, dat Oortwijn op het desbetreffende tijdstip aanwezig was aan de Amstel. Kortom, er is amper tot geen politie-onderzoek gedaan, om aan te tonen dat de delicten gepleegd zijn, laat staan dat Oortwijn terecht als verdachte genoemd wordt.

Het is allereerst de taak van de Officier van Justitie om te onderzoeken of er sprake is van een delict, om hierna belastend bewijs te overleggen van verdenkingen gericht op concrete personen. Het getuigt van weinig respect voor de rechten van Oortwijn, als de Officier van Justitie zonder voldoende belastend bewijs dat er een delict gepleegd is en zonder voldoende belastend bewijs voor verdenking van Oortwijn, kennelijk vanuit een misplaatste behoefte om het Team Dreigingsmanagement te dienen, in 2016 psychologen en psychiaters op Oortwijn afstuurt. De achtervolging door psychiaters en psychologen kan geenszins uitgelegd worden als een noodzakelijk kwaad, om een strafeis te bepalen. Er is geen redelijke grond voor een vermoeden dat deze strafzaak tot een veroordeling of schuldverklaring kan leiden, op basis van het proces-verbaal (artikel 9a Sr). De Officier van Justitie heeft gewoonweg onvoldoende belastende bewijzen.

De suggestie, dat Oortwijn “gevaarlijk” zou zijn, is niet serieus te nemen (zie paragraaf 2). De politie weet dat, na haar jaren gevolgd te hebben. Zij hebben Oortwijn met geweld uit huis gehaald en in hechtenis genomen op 10 november 2015, maar zij zagen geen reden haar te fouilleren op wapenbezit. Er is ook niet gezocht naar wapens in de tas of jas van Oortwijn. Geen van de agenten ging er vanuit, dat Oortwijn voor iemand een fysiek gevaar zou betekenen. Daar zagen zij geen aanleiding toe.
4. Bijgevoegde twee zaken

Het openbaar ministerie heeft in proces-verbaal van relaas PL13-2015251055 aangegeven de klacht van Marijke X van 3 maart 2014 bij de zaak te willen voegen, evenals de boete van € 140,- voor de beschadiging van een stukje grasperk in het Oosterpark. Beide zaken worden niet genoemd in de dagvaarding betekend aan Oortwijn op 16 december 2016.

4.1 Openstaande boete beschadiging grasperk

Op pagina 38 van proces-verbaal PL1300-2015251055 wordt melding gedaan van een openstaande boete naar aanleiding van een strafvordering uitgedeeld op 20 juli 2015 in het Oosterpark. Het Openbaar Ministerie heeft er voor gekozen, om niet meer te reageren op het verzet van Oortwijn gedateerd op 20 augustus 2015.

Oortwijn erkent op 20 juli 2015 in het Oosterpark te zijn geweest. Zij heeft die dag in een grasperk gewerkt, maar er was geen blijvende schade en er was geen opzet tot schade. Oortwijn ging juist zo voorzichtig mogelijk te werk, zodat het gras zo min mogelijk te lijden zou hebben (geen opzet). Bovendien meende zij op dat moment haar burgerplicht te vervullen en was er op geen enkele wijze voordeel voor haarzelf (zie verzet op deze boete, in bijlage G van bezwaarschrift).

Het verzet tegen de strafbeschikking is door Oortwijn schriftelijk ingediend op 20 augustus 2015 (artikel 257 Sv). Sindsdien heeft Oortwijn niets meer vernomen van deze zaak. Het is ondertussen 2017. Het is gebruikelijk dat er een reactie op verzet komt binnen een termijn van 3 tot 5 maanden. Die periode is reeds lange tijd verstreken. Een burger moet erop kunnen vertrouwen, dat er geen vervolging vanuit het Openbaar Ministerie meer komt, als een redelijke termijn is verstreken.

Voorts benadrukt Oortwijn, dat zij in het Oosterpark onderzoek deed, naar aanleiding van een tip over de zaak van Theo van Gogh. Oortwijn ziet een groot maatschappelijk belang in het verkrijgen van zekerheid over de toedracht van de aanslag op Theo van Gogh. Zij meent dat deze zaak teveel open eindes heeft, om als opgelost te worden beschouwd. Het belang ervan is groot, omdat er nog steeds maatschappelijke onrust is omtrent de zaak Theo van Gogh. Bevolkingsgroepen staan hierin (helaas) soms lijnrecht tegenover elkaar.

De open eindes die Oortwijn heeft aangedragen op basis van eigen onderzoek, zijn onder andere:

  • De foto van de foto van Mohammed Bouyeri direct na de aanslag voor het Sleutelhuis laat zien, dat het fototoestel gepositioneerd moet zijn geweest in de dakgoot van het Stadsdeelkantoor (bijlage H, in bezwaar).
  • De route die Bouyeri heeft afgelegd, vanaf de viaduct waar hij wachtte op de fiets, naar het moment van de aanslag, tot het moment dat hij gepakt is lopend (bij de Stadhouderskade aan de andere zijde van het Oosterpark), is volledig te volgen precies vanuit deze zelfde plek in de dakgoot van het Stadsdeelkantoor.
  • De aanslag was gepland om op de fiets te doen. Maar omdat Theo te voet overstak, stapte ook Bouyeri af en stak ook over naar de overkant van de straat. Er is een getuige die Bouyeri tweemaal in de weken ervoor op die plek voor het sleutelhuis heeft zien staan, kennelijk om zijn vluchtroute voor te bereiden. Echter, de noodzaak tot een vluchtroute te voet vanaf de overkant van de straat, is ontstaan door Theo’s oversteken.
  • De gekozen locatie van de aanslag en de vluchtroute zijn door Bouyeri in het geheel niet strategisch gekozen, tenzij er sprake is van medeplichtigheid vanuit het Stadsdeelkantoor.

Oortwijn had een tip ontvangen, dat er aanwijzingen zouden zijn over de omstandigheden van de aanslag op Theo van Gogh, bij het voetstuk van het monument “De Schreeuw”.

Er was in het Oosterpark geen opzet tot schade (zorgvuldige werkwijze om schade te voorkomen) en er was dan ook amper schade (het grasperk lokaal, tijdelijk en slechts licht beschadigd). Bovendien is er sprake van rechtvaardigingsgronden. Oortwijn ervaart de mogelijkheid tot het doen van onderzoek naar de toedracht van de aanslag op Theo van Gogh óók als een maatschappelijke verplichting en wel een zwaardere en urgentere verplichting, als het niet beschadigen van gras in het Oosterpark (noodtoestand).

4.2 Belediging

Belediging is een klachtdelict en aangiftes van klachtdelicten worden “een klacht” genoemd. Dergelijke klachten kunnen gedaan worden, tot in de regel (a) maximaal drie maanden nadat een vermeend slachtoffer kennis heeft genomen van het vermeende delict (bron: website OM). Er wordt niet tot vervolging overgegaan, tenzij de klager dit (b) nadrukkelijk verzoekt in de aangifte (artikel 164 lid 1 Sv).

Op 3 maart 2014 is (op verzoek van de politie) aangifte gedaan door X van belediging op een website. Het gaat om proces-verbaal PL13AD-2014053884-1 betreffende het klachtdelict belediging, opgenomen in PL13AD-2014053884, op pagina 36-37. In dit proces-verbaal van (vermeende) belediging is nergens opgenomen, dat klaagster (b) nadrukkelijk verzoekt tot vervolging. Er wordt geen naam genoemd van een verdachte. Zelfs de handtekening van Marijke X ontbreekt, wat duidelijk maakt dat er geen overtuiging tot verzoek van vervolging was.

De politie heeft Marijke X in 2014 kennelijk weten over te halen een aangifte te doen op hun verzoek, maar Marijke X besloot deze niet te ondertekenen. Ook in het proces-verbaal PL1300-2015251055, waarin deze aangifte is gevoegd op pagina 36-37 (met stempel “Kopie conform origineel”) is géén handtekening geplaatst van Marijke X. De redelijke termijn hiervoor (drie maanden nadat bekend is dat) is ruim overschreden. Zonder (c) handtekening en (b) nadrukkelijk verzoek tot vervolgen, gedaan binnen (a) een redelijke termijn van drie maanden, kan geen vervolging plaatsvinden.

Het Openbaar Ministerie heeft geen recht tot vervolging.

5. Recht op verdediging

Het recht op een eerlijk proces en verdediging is een elementair onderdeel van een rechtstaat (artikel 6 EVRM). Het recht op een eerlijk proces (artikel 6) bevat o.a.: het recht op een onafhankelijke rechtbank (lid 1); het recht voor onschuldig gehouden tot het tegendeel bewezen is (lid 2); te beschikken over de tijd en faciliteiten die nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging (lid 3b); en het recht zich zelf te verdedigen of daarbij de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze (lid 3c). Het optreden van het Openbaar Ministerie heeft de beginselen van een goede procesorde in ernstige mate geschonden.

Raadsman

Naar aanleiding van de brief van het Openbaar Ministerie van 19 september jl. zocht Oortwijn contact met een advocaat op 29 september 2016, waarin zij vertrouwen had. Zij gaf er destijds de voorkeur aan, om vertegenwoordigd te worden door een advocaat, omdat zijzelf onbekend was met het strafrecht (artikel 38, lid 1: De verdachte is te allen tijde bevoegd een of meer raadslieden te kiezen).

Op 11 oktober jl. ontstond er een vertrouwenscrisis tussen Oortwijn en haar advocaat, omdat deze haar nog steeds geen inzage gaf in haar strafdossier (welke hij ontvangen had op 4 oktober). De advocaat wilde eerst aan het OM vragen, in hoeverre Oortwijn recht op inzage in dat strafdossier had: “Jij bent betrokkene in het strafproces en ik kan niet zomaar aan iedere betrokkene het dossier meegeven”. Het simpele feit dat Oortwijn zelf verdachte is en niet zomaar een betrokkene, wist hem niet te overtuigen (artikel 331 Sv; artikel 30 Sv).

Naar aanleiding van dit gesprek, zegde Oortwijn de raadsman op. Dit is geen basis voor samenwerking.

Oortwijn concludeert, dat dit strafzaak stukken zou betreffen, die wél aan de advocaat waren uitgereikt (strijdig met artikel 50, lid 2 Sv; artikel 51 Sv). Bovendien had de advocaat het gehele strafdossier reeds meer dan 6 dagen in zijn bezit, met de instructie vanuit Oortwijn, om na ontvangst ervan per direct contact met Oortwijn op te nemen, zodat zij haar dossier zou kunnen inzien. Oortwijn was op dat moment ook vanuit Justitie op geen enkele wijze geïnformeerd over een mogelijk achterhouden van informatie voor haar als verdachte (artikel 50, lid 2, laatste zin). Er is geen wettelijke basis voor deze handelswijze, ook niet in de fase van een voorbereidend onderzoek.

Openbaar Ministerie

Een verdachte heeft recht op inzage in het eigen strafdossier (vanaf het eerste verhoor) op basis van EVRM art. 6 lid 3b, Sv art. 30 lid 1, Sv art. 31, Sv art. 34 lid 2, Sv art.137 en Sv art. 149a. In de brief van 19 september jl. stelt het Openbaar Ministerie, dat het dossier van de strafzaak per direct zal worden toegestuurd aan de verdediging. Naar aanleiding van deze brief, heeft Oortwijn verzocht (o.a. 16 oktober en 21 november en nogmaals op 25 november 2016, zie bijlagen JK, in bezwaarschrift), om een afschrift van het strafdossier 13/6507X (incl. processtukken, het onderzoeksdossier, en het hele politiedossier over G.J.M. Oortwijn). Telefonisch en per e-mail liet de Verkeerstoren aan Oortwijn weten, niet zeker te zijn welke gegevens uit het procesdossier aan een verdachte kunnen worden toegezonden (bijlage L). Dit zou namelijk een ander/aangepast dossier zijn, als hetgeen haar (voormalig) advocaat is toegezonden.

Tot op heden is vanuit het Openbaar Ministerie geen verdere reactie ontvangen, behalve het doen toekomen van een afschrift van proces-verbaal PL1300-2015251055 (pagina A-F en 1-72), verzonden door de Officier van Justitie, waarin stukken tekst “zwart zijn gemaakt”. Er is ook geen afschrift ontvangen van het gehele politiedossier over G.J.M. Oortwijn, zelfs niet een uitdraai van de meldingen in het bedrijfsprocessensysteem van de politie 2011-2015, waarnaar verwezen wordt in PL1300-2015251055. Tevens is de verdachte niet schriftelijke meegedeeld, dat de vanuit de Officier van Justitie toegezonden stukken niet compleet zijn (Sv art. 30 lid 4 en Sv 149b). Het toegezonden proces-verbaal is namelijk geanonimiseerd. Alle namen op proces-verbalen (o.a. getuigen en alle overheidsfunctionarissen) ontbreken, zonder dat hierop een toelichting is ontvangen. Het recht van Oortwijn op een eerlijk proces (de voorbereiding van haar verdediging) wordt hiermee ernstig belemmerd en er is geen sprake van een ‘equality of arms’ (EVRM artikel 6).

Artikel 6 lid 3b EVRM geeft Oortwijn het recht “to have adequate time and facilities for the preparation of his defence”. Zonder inzage in alle processtukken (13/6507X), het gehele politiedossier (van G.J.M. Oortwijn) en het onderzoeksdossier achter PL1300-2015251055 (dus inclusief de bestaande onderzoeksdossiers en de andere aangiftes/vermeldingen van/over Oortwijn, welke volgens het OM relevant zouden zijn), kan de verdediging zich vanzelfsprekend slechts beperkt voorbereiden. Uit het ontvangen proces-verbaal blijkt, dat Justitie bronnen/bewijsmiddelen heeft geraadpleegd, die de verdediging niet heeft ontvangen (Sv art. 149a en Dev Sol-arrest HR 7 mei 1996). Tevens lijken ontlastende bewijsmiddelen achterwege te zijn gelaten. Het niet verschaffen van de verzochte gegevens is in strijd met het principe van ‘equality of arms’ en belemmert Oortwijn’s recht op een eerlijk proces.

Opvragen dossiers betrokken instanties

In afwachting van een reactie van het Openbaar Ministerie, heeft Oortwijn het initiatief genomen om persoonsgegevens van haarzelf op te vragen op basis van de Politiewet, WBP en Sv, bij alle instanties waarvan zij vermoedt, dat deze betrokken zijn (bijlage M en N). Op 30 november jl. schreef zij een brief aan de korpschef van Politie Amsterdam Amstelland, met een verzoek tot inzage in haar dossier. Op 13 december jl. schreef zij een brief aan de korpschef van de Landelijke Eenheid Politie, met een verzoek tot inzage in haar dossier. Op 14 december schreef zij een brief aan de directeur van de GGD te Amsterdam, met een verzoek tot inzage in haar dossier. Tot op heden heeft zij geen reacties mogen ontvangen op haar schrijven, ondanks haar uitleg van urgentie in verband met een strafvervolging. Deze instanties werken enerzijds mee aan de vervolging tegen Oortwijn, maar tegelijk belemmeren zij Oortwijn’s inzage in de door hen vastgelegde persoonsgegevens voor haar verdediging (WBP).

Strafgriffie

Een verdachte heeft recht op inzage in het eigen strafdossier vanaf het eerste verhoor (artikel 30 Sv). Op basis van artikel 33 Sv is er voor de verdachte recht op inzien in alle stukken van het strafdossier bij de Strafgriffie, in ieder geval vanaf de dag van de dagvaarding.

De website van het OM zegt er het volgende over (bron: http://www.om.nl/vaste-onderdelen/zoeken/@32988/mag-verdachte/):

Mag ik als verdachte mijn dossier inzien?

Van uw zaak is een dossier gemaakt. Hierin zitten stukken van de politie, openbaar ministerie enz. U kunt uw dossier wanneer er nog geen vonnis is gewezen inzien bij de griffie van de rechtbank of bij het arrondissementsparket dat uw zaak behandelt. Het beste is hiervoor van te voren een afspraak te maken. U kunt stukken uit het dossier overschrijven of een kopie van de stukken vragen. Natuurlijk kunt u dit ook aan uw advocaat overlaten. Die zal vaak inzage willen in de stukken om zich goed voor te kunnen bereiden op de zaak. In sommige gevallen mag u van bepaalde stukken geen kopie maken, bijvoorbeeld om te voorkomen dat privacygevoelige informatie verspreid kan worden.” (website OM).

Het is een belemmering van een eerlijk proces, als een Strafgriffie zich hier niet aan houdt.

Op maandag 19 december bezocht Oortwijn de rechtbank, om het strafdossier bij de Strafgriffie te kunnen inzien (op basis van EVRM artikel 6 lid 3b). De inzage werd geweigerd door twee verschillende Strafgriffie, te weten mevrouw “Mariska” en mevrouw “Jamayla Ax” (de spelling van de namen kan onjuist zijn, waarvoor excuses). De Strafgriffie hield vol, dat inzage van de verdachte -in dit geval G.J.M. Oortwijn- niet toegestaan is, behalve in de laatste week vóór de rechtszitting. Er werd op deze (zogezegd) landelijke regel alleen uitzondering gemaakt voor de advocaat van een verdachte, die eerder toegang zou krijgen. Ook hield de Strafgriffie vol, dat de advocaat van een verdachte in méér stukken inzage heeft, dan een verdachte zelf.

Oortwijn kan geen enkele wettelijke basis bedenken, hoe een advocaat tot meer stukken inzage heeft, dan de verdachte en ook niet waarom processtukken achtergehouden worden nadat de dagvaarding is betekend (Sv artikel 33, art 50, art 51, art 331; EVRM artikel 6). Ook artikel 50 Sv lid 2 benadrukt het belang van de vertrouwensrelatie tussen verdachte en advocaat, plus het principe dat een verdachte inzage heeft in dezelfde stukken als diens advocaat. De stukken zouden in dat geval niet verstrekt worden aan de advocaat (art 50 lid 2 Sv), om de vertrouwensrelatie niet te beschadigen. Bovendien gaat het in dat geval (artikel 50 Sv) om het achterhouden van informatie in uitzonderlijke omstandigheden tijdens het voorbereidende onderzoek, waarvan verdachte schriftelijk op de hoogte moet zijn gebracht, en die hoogstens 6 dagen duren. Vanaf de dagvaarding is er altijd recht op inzage. De dagvaarding is op 16 december 2016 betekend.

Recht op verdediging

Volgens ondergetekende, heeft een verdachte recht op volledige inzage in het strafdossier, en zonder enige twijfel vanaf het moment van de dagvaarding. Een onderscheid maken in recht op inzage in strafdossier tussen advocaat en verdachte (notabene met ruimere bevoegdheden voor de advocaat!), druist in tegen het beginsel dat een verdachte en een eventuele raadsman over dezelfde informatie en bevoegdheden moeten beschikken (Sv art. 50, 51, en 331). De gelijke processuele bevoegdheden van raadsman en verdachte, zijn een cruciaal onderdeel van het recht van een verdachte op verdediging. De wens van het OM én de Strafgriffie, om een advocaat méér bevoegdheden te verlenen dan een verdachte welke deze bijstaat, laat zich niet rijmen met een vertrouwensrelatie tussen advocaat en verdachte. Een raadsman kan ook nooit verplicht worden bepaalde informatie achter te houden voor een cliënt. Hier wordt verdachte enerzijds gedwongen om te kiezen voor een advocaat als verdediging in strijd met EVRM artikel 6 lid 3c (een advocaat zou noodzakelijk zijn voor inzage van het strafdossier op korte termijn??? zie bijlage N), terwijl tegelijkertijd het vertrouwen in een relatie raadsman-verdachte wordt ondermijnd (een advocaat zou recht hebben op inzage in méér stukken dan een verdachte??? zie bijlage L en N).

De advocaat is verzocht om het strafdossier in het geheel achter te houden voor Oortwijn, mogelijk omdat hierin namen van getuigen en Justitie-medewerkers genoemd werden (advocaat wilde geen reden geven). Daarnaast is gebleken, dat aan de raadsheer 6 additionele stukken over haar zaak zijn verstrekt met het verzoek deze niet te bespreken met Oortwijn. Dit kan niet anders gezien worden, dan als een verzoek vanuit het Openbaar Ministerie aan de advocaat, om Oortwijn het recht op verdediging te ontzeggen. Niet alleen krijgt verdachte in dat geval geen of amper inzage in het eigen persoonlijke strafdossier, de advocaat wordt gevraagd om de cliënt niet optimaal bij te staan. Dit tast de vertrouwelijke relatie tussen advocaat en cliënt aan. Om die reden heeft Oortwijn nu geen advocaat en doet zij haar eigen verdediging.

Het is een aantoonbare aanval op Oortwijn’s recht op een eerlijk proces (EVRM artikel 6 en specifiek lid 3). Wanneer een Openbaar Ministerie en de Politie niet alleen zélf een burger diens toegang tot het eigen strafdossier ontzeggen bij en na het eerste verhoor, maar tevens een advocaat én een Strafgriffie kunnen beïnvloeden, dan gaat er iets goed mis! De Strafgriffie behoort de onafhankelijkheid van de rechtbank te faciliteren, anders ondermijnt dit het vertrouwen in de onafhankelijkheid van de rechters (EVRM artikel 6 lid 2). De raadsman moet een vertrouwenspersoon kunnen zijn, anders ondermijnt dit het recht op verdediging (EVRM artikel 6 lid 3b).

Bij G.J.M. Oortwijn ontstaat de indruk, dat het Openbaar Ministerie geen middel schuwt om Oortwijn te vervolgen, en nog wel voor een valse aangifte. Waarom gebeurt dit, als de inhoud van de (valse!) aangifte, niet meer bevat dan een (vermeende) belediging, één of enkele stompen op de arm (zonder letsel, volgens klaagster), en een bedreiging zonder wapen? Er ligt in dit geval niet eens voldoende belastend bewijs. Als je per se mensen voor deze delicten wilt vervolgen, is een uur wacht houden op het Rembrandtplein op zaterdagavond effectiever (gelijkheidsbeginsel). Zelfs als de aangifte geen valse zou zijn, en als er wél voldoende belastende bewijzen daarvoor in het dossier zouden zitten, dan nóg is de agressieve vervolging van het OM niet te verklaren. Behalve… als men koste wat het kost de (onterechte) registratie als “Potentieel Gewelddadige Eenling” wil rechtvaardigen met deze vervolging.

Helikopter

De belemmering van Oortwijn in haar verdediging gaat zelfs zo ver, dat ten tijde van dit schrijven (op 27 december 2016 omstreeks 13.45-14-15h) er een helikopter van de politie een half uur lang rondom over de woning van Oortwijn cirkelt. Navraag bij buurtbewoners leert, dat geen van hen de aanwezigheid van de helikopter met een concrete calamiteit of evenement in de buurt kan verklaren.

De eerste foto is een foto genomen vanuit de voordeur van Oortwijn, om een beeld te geven van de omgeving. De overige foto’s zijn van de politiehelikopter.

bezwaar-cci30122016_0019

Beginselen goede procesorde

Oortwijn verzoekt de rechtbank de zaak met parketnummer 13/6507X en gevoegde zaken te seponeren. Niet alleen om bovengenoemde redenen, maar ook omdat de gehele handelswijze een ernstige schending is van de beginselen van een goede procesorde. Dit is gedaan doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte. Er wordt tekort gedaan aan het recht op een behoorlijke behandeling van de zaak.

Schending van het Vertrouwensbeginsel.

  • Op 11 november 2015 is Oortwijn mondeling medegedeeld, dat de zaak als “civiele zaak” zou worden gezien vanaf dat moment. In september 2016 heeft het OM zich kennelijk bedacht.
  • Als verdachte gezegd wordt, dat zij recht heeft op een advocaat, dan moet deze er op kunnen vertrouwen, dat Justitie de vertrouwelijke relaties tussen haar en de raadsman respecteert.
  • Oortwijn heeft vanuit de Officier van Justitie géén bericht ontvangen, dat er processtukken voor haar werden/worden achtergehouden en met welk oogmerk dit gebeurde/gebeurt, maar de Verkeerstoren en Strafgriffie geven het wel diverse malen aan. Oortwijn heeft tot op heden geen volledige inzage gehad in de processtukken in haar strafdossier, ook niet na de dagvaarding. Zelfs in het proces-verbaal zijn delen van de tekst “zwart gemaakt” zonder Oortwijn op de hoogte te stellen, op basis van welke gronden dit gedaan is tegen verdediging.

Schending van het Gelijkheidsbeginsel.

  • De opsporingsmiddelen die worden ingezet tegen Oortwijn, zijn buitenproportioneel voor de delicten waarvan zij nu (vermeend) wordt verdacht. Het gaat om een stelselmatige inzet van opsporingsmiddelen die inbreuk maken op diverse aspecten van het leven van Oortwijn.
  • Er ligt onvoldoende belastend bewijs, alleen een aangifte. Er is niet eens bewijs dat er een delict gepleegd is tegen X, laat staan dat er bewijs is voor verdenking tegen Oortwijn. In ieder ander geval zou niet tot vervolging worden overgegaan. Bij Oortwijn staan psychologen en psychiaters voor de deur in opdracht van het Openbaar Ministerie, om de strafmaat te bepalen?
  • Er wordt Oortwijn geen inzage gegeven in haar volledige strafdossier.

Schending van beginsel Zuiverheid van oogmerk.

  • De aanpak van Justitie richting Oortwijn, is niet te interpreteren als het “beperken van een (vermeend) dreigement” of “opsporingsonderzoek”. Het optreden van Justitie naar Oortwijn is te interpreteren als een soort straf, zonder (vóór) tussenkomst van een rechter.
  • De huidige vervolging van Oortwijn naar aanleiding van de aangifte van Marijke X, heeft als doel om de agenda te dienen van het Team Dreigingsmanagement, wat betreft hun persoonsgerichte aanpak van Oortwijn.

Schending van beginsel van Redelijke en billijke belangenafweging.

  • Het beleid van de “Potentieel Gewelddadige Eenling” is gebaseerd op een afweging tussen enerzijds het gevoel van veiligheid en de bewegingsvrijheid van landelijke gezagsdragers bij het uitoefenen van hun publieke functie (hoeveel veiligheidsmaatregelen zijn nodig?) en anderzijds de rechtsbescherming van iedere individuele burger in Nederland (kan eenieder zomaar aangepakt worden, als beveiligers van een gezagsdrager een (potentiële) dreiging inschatten/taxeren?). En hoever mag de aanpak van de beveiligers gaan daarin? Op welke momenten en op welke locaties?
  • Delicten als vermeende belediging of beschadiging van een fietskussentje zijn onvoldoende grond om met geweld een woning binnen te dringen en een verdachte in hechtenis te nemen.

Dit zijn schendingen van cruciale onderdelen van een goede procesorde.

Hoogachtend,

Mw G.J.M. Oortwijn MA MSc MPhil PhD

 


Bijlagen

A. Brieven politie 2015

B. Brief minister Tweede Kamer 1 juli 2010 over PGE (2010-kst-29754-191)  en begeleidende rapporten (2010-3-rapporten-blg-71976)

C. Brief minister Tweede Kamer 5 september 2013 over PGE (kst-29754-233) en begeleidende rapporten (blg-248777 en evaluatiestudie-blg-248778)

D. Artikel in Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing 2016 (pdf)

E. Respons vermeende historie Oortwijn politiemeldingen (pdf)

F. Respons vermeende historie Oortwijn specifiek “ruzie schutting” (zie hieronder)

G. Bezwaar strafbeschikking gras Oosterpark van 2015 (pdf)

HI. Analyse foto van Bouyeri voor het Sleutelhuis (pdf)

JK. Brieven aan Officier van Justitie 2016

L. Brieven aan Verkeerstoren Rechtbank 2016

M. Verzoek inzage politiedossier in Amsterdam (pdf) en Landelijke Eenheid (pdf)

N. Verzoek inzage persoonsgegevens GGD Amsterdam (20161214pdf)

O. Transcript telefoongesprekken met Strafgriffie over processtukken (pdf)

 

ad. F. Respons vermeende historie Oortwijn specifiek “ruzie schutting” 

dsci3194-kopie

dsci3193

This entry was posted in Justitie, Maatschappij, Maud Oortwijn, Politie, Politiek and tagged , , , , , . Bookmark the permalink.

4 Responses to Bezwaarschrift GJM Oortwijn tegen vervolgen door OM

  1. Pingback: De dagvaarding is door het OM ingetrokken | De Bovenkamer – Het kan ook anders

  2. Pingback: Ik sta sinds 2012 geregistreerd als “Potentiële Gewelddadige Eenling” en kreeg ontkenning en bevestiging daarvan… | De Bovenkamer – Het kan ook anders

  3. Pingback: Tweemaal valse aangifte, tweemaal rond Ronald de voormalig Kon. Marechaussee | De Bovenkamer – Het kan ook anders

  4. Pingback: Het OM heeft een schandalig BOPZ verzoek ingediend bij de rechtbank, maar rechter reageert (nog) niet. | De Bovenkamer – Het kan ook anders

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s