Fit For Free – FFF=666 – Free=Masons

Ik ben eventjes in Amsterdam de stad in geweest om iets op te halen wat ik op marktplaats.nl kocht. Op bijna iedere straathoek kom je hints tegen, die verwijzen naar occulte clubjes. Amsterdam is wat dat betreft echt een bolwerk van.

De reclame van Fit For Free op het Leidse Plein.

 

Fit For Free is een fitnessclub. Misschien zijn ze zich van geen kwaad bewust. Ik besefte het zelf ook niet, tot nu toe. Maar als je veel symbolen ziet in de hele stad, dan is het geen toeval meer.

This entry was posted in Amsterdam and tagged , . Bookmark the permalink.

11 Responses to Fit For Free – FFF=666 – Free=Masons

  1. Bas says:

    Ik ben eventjes in Amsterdam de stad in geweest om iets op te halen wat ik op marktplaats.nl kocht. Op bijna iedere straathoek kom je hints tegen, die verwijzen naar occulte clubjes. Amsterdam is wat dat betreft echt een bolwerk van.

    Lief is het uitbreken uit dit bolwerk nog op je agenda of heb je nog wel comfort zone naar je zin in het hol van de zwarte leeuw?

    Ja geld voor mijzelf ook, het is toch familie he, ben ook nog steeds woonachtig in een hol van de zwarte leeuwen onze bloed eigen familie bloedlijnen stam bomen.

  2. Hamecon says:

    “De jaren zestig waren jaren vol spanningen: de revolutie in Parijs, de strijd om de burgerrechten in Amerika, demonstraties tegen de Vietnam-oorlog en niet te vergeten: het befaamde ‘generatieconflict’ waarin de jeugd opstond tegen de verstarde oudere generatie en haar gezag betwistte. Ook in Nederland zou de spanning te snijden zijn geweest. Daar kwam een naoorlogse generatie immers in botsing met het vooroorlogse verzuilde bestel, dat werd verdedigd door kleinburgerlijke en bekrompen ‘regenten’. Maar is dit een juist beeld van het decennium? Kennedy toont aan dat – in vergelijking met zijn geboorteland de Verenigde Staten – de omvangrijke culturele veranderingen in Nederland bijzonder vlot verliepen. Nederland ontwikkelde zich binnen korte tijd van een traditioneel en godsdienstig land tot een samenleving waar in de ogen van buitenstaanders alles mogelijk scheen. En deze opmerkelijke transformatie kwam tot stand zonder veel geweld en grote spanningen. Hiervoor zijn verschillende redenen aan te voeren, maar Kennedy beperkt zich tot de belangrijkste: de denkbeelden en het gedrag van Nederlandse ‘regenten’. Terwijl veel Amerikaanse gezagsdragers zich sterk verzetten tegen nieuwe ontwikkelingen, deden Nederlandse leiders slechts weinig moeite om de status quo te handhaven. Dit kwam niet zozeer door hun vooruitstrevendheid, als wel door de overtuiging dat veranderingen niet meer tegen te houden waren; ‘met de tijd meegaan’ leek de enige verstandige optie. Kennedy toont aan hoe doorslaggevend deze houding was in buitenlandse politiek, kerken, moraal, (tegen)cultuur, gezagshandhaving en partijpolitiek. De auteur ontmaskert de grote ironie van de jaren zestig: de architecten van het Nederlandse ‘Nieuw Babylon’ waren behoudende ‘regenten’ en kerkvaders die vrij baan gaven aan de ontwikkelingen in dit decennium.” https://www.bol.com/nl/p/nieuw-babylon-in-aanbouw/666786504/

    Bijna geen land ter wereld maakte in de jaren zestig zulke ingrijpende veranderingen door als Nederland. Hoe kwam dit? Wat maakte het land zo bijzonder? James Kennedy, hoogleraar geschiedenis in Amsterdam, geeft op deze vragen antwoord.

    “Homo ludens
    In 1959 bedacht Cobra-kunstenaar Constant Nieuwenhuys Nieuw Babylon, een toekomstsamenleving waarin de homo ludens (‘spelende mens’) zich vrijelijk zou kunnen ontplooien. Enkele jaren later diende die spelende mens zich al aan, in de vorm van een luidruchtige protestgeneratie. In minder dan een decennium veranderde Nederland van een ouderwetse natie in een samenleving met een uitzonderlijk tolerant en progressief klimaat.

    Een opmerkelijke ontwikkeling – die echter niet alleen te danken was aan Provo. Historicus James Kennedy laat zien dat ook de autoriteiten hierin een belangrijke rol speelden. Ze begrepen bijtijds dat een al te straf optreden averechts zou werken en wisten door een voorzichtig beleid van aanpassing te voorkomen dat de ontwikkelingen uit de hand liepen.

    Nieuw Babylon in aanbouw is de nieuwe uitgave van een boek dat veel discussie losmaakte toen het uitkwam in 1995. Sindsdien geldt het als standaardwerk van de Nederlandse geschiedenis.”
    https://www.boomgeschiedenis.nl/kernproduct/807/Nieuw-Babylon-in-aanbouw

    “Naam
    De naam New Babylon refereert aan de utopische stad ‘New Babylon’, die in de periode 1959-1978 door de kunstenaar Constant bedacht werd en die veel invloed heeft gehad op architecten. Constant werd op zijn beurt geïnspireerd door het boek Homo Ludens van Johan Huizinga, die een utopische maatschappij beschrijft waarin al het werk volledig geautomatiseerd is, zodat de mensen een overvloed aan vrije tijd hebben. Constants New Babylon is een plaats waar de mens is bevrijd van lichamelijke arbeid, zodat hij zich uitsluitend kan wijden aan creativiteit.[5]

    Eigenaars
    New Babylon was oorspronkelijk een project van een joint venture van vastgoedondernemer Erik de Vlieger en ABN Amro Bouwfonds. De Rotterdamse vastgoedontwikkelaar Fortress nam het aandeel van de Vlieger over en Bouwfonds werd overgenomen door SNS Reaal. In 2014 werd SNS Reaal’s Property Finance voor €1 volledig eigenaar van het complex.[6]
    New Babylon was het grootste Nederlandse project uit de portefeuille van SNS Reaal.[7] In december 2015 verkocht Propertize, de nieuwe naam voor SNS Reaal’s Property Finance, haar belang aan vastgoedbelegger Victory Advisors.[7] Naast de twee kantoortorens en het winkelcentrum van New Babylon heeft deze belegger ook de WKO-installatie verworven die warmte en koude levert aan New Babylon.[7]
    https://nl.wikipedia.org/wiki/New_Babylon

    Nieuw Babylon in aanbouw : Nederland in de jaren zestig (Amsterdam, Boom, 1995, proefschrift, vertaling uit het Engels: Building new Babylon: cultural change in the Netherlands during the 1960s, 1995), https://archive.org/details/NieuwBabylonInAanbouw.NederlandInDeJarenZestigJamesC.Kennedy1955

    Constant Nieuwenhuys, New Babylon, http://isites.harvard.edu/fs/docs/icb.topic709752.files/WEEK%207/CNieuwenhuis_New%20Babylon.pdf

    https://www.cultureelpersbureau.nl/2016/05/we-leven-allemaal-constants-new-babylon/

  3. Hamecon says:

    Globalisme in optima forma :
    http://www.slate.com/blogs/the_eye/2016/01/19/the_world_metro_map_links_214_cities_on_five_continents.html

    “Initially known as Dériville (from “ville dérivée”, literally, “drift city”), it was later renamed as New Babylon. Henri Lefebvre explained: “a New Babylon — a provocative name, since in the Protestant tradition Babylon is a figure of evil. New Babylon was to be the figure of good that took the name of the cursed city and transformed itself into the city of the future.””

    “The goal was the creating of alternative life experiences, called ‘situations’. Sarah Williams Goldhagen, explained:[3]

    [In the 1950s, Constant] had already been working for years on his “New Babylon” series of paintings, sketches, texts,and architectural models describing the shape of a post-revolutionary society. Constant’s New Babylon was to be a series of linked transformable structures, some of which were themselves the size of a small city–what architects call a megastructure. Perched above ground, Constant’s megastructures would literally leave the bourgeois metropolis below and would be populated by homo ludens–man at play. (Homo Ludens is the title of a book by the great Dutch historian Johan Huizinga.) In the New Babylon, the bourgeois shackles of work, family life, and civic responsibility would be discarded. The post-revolutionary individual would wander from one leisure environment to another in search of new sensations. Beholden to no one, he would sleep, eat, recreate, and procreate where and when he wanted. Self-fulfillment and self-satisfaction were Constant’s social goals. Deductive reasoning, goal-oriented production, the construction and betterment of a political community–all these were eschewed.”
    https://en.wikipedia.org/wiki/New_Babylon_(Constant_Nieuwenhuys)

  4. Hamecon says:

    We kunnen er van uitgaan dat de zogeheten ‘tegencultuur’ van de 1960 en 1970er jaren, zoals vertegenwoordigd door de Provo- en kabouterbeweging (beide opgericht door Roel van Duijn), hun oorsprong vinden in de geheime diensten.

  5. Hamecon says:

    ‘Provo’s’ en het Koningshuis.

    “The Provos gained world prominence through its protests at the royal wedding of Princess Beatrix of the Netherlands and Claus von Amsberg. The Dutch Royal Family was unpopular at the time, and Claus von Amsberg was thought to be unacceptable to many Dutch people because of his Hitlerjugend membership during World War II. The engagement was announced in June, and in July the Provos threw anti-monarchist pamphlets from a bridge into the royal boat.

    In the run-up to the wedding Provo made up a fake speech, in which Queen Juliana declared she’d become anarchist and was negotiating a transition of power with Provo. The White Rumour Plan was put into action, as part of which wild rumours were spread in Amsterdam, including that the Provos were preparing to dump LSD in the city water supply. These rumours led the authorities to request 25,000 troops to help guard the parade route.

    Dressed as ordinary citizens, the Provos managed to sneak sugar and nitrate smoke bombs past the police. The first bombs went off just behind the palace as the procession started. Unable to identify the Provos, the police overreacted and the wedding turned into a public relations disaster. In the week after the wedding, the police attacked and beat patrons of a photo exhibition documenting police violence at the royal wedding. Following these events a number of well-known writers and intellectuals started requesting an independent investigation into police behaviour.”
    https://en.wikipedia.org/wiki/Provo_(movement)#Actions_and_ideas

    “Hun sterkste actiemiddel was ‘autoriteiten in verwarring brengen’. Veel aandacht trokken bijvoorbeeld hun acties, in 1966, rond het huwelijk van prinses Beatrix met Claus von Amsberg. Provo excelleerde in het verspreiden van geruchten: er zouden hallucinogene stoffen in het drinkwater gedaan worden, de paarden van de vorstelijke rijtuigen zouden suikerklontjes met LSD krijgen, enzovoorts. De rookbommen bij dit huwelijk (’10 maart 1966, dag van de anarchie’) gaf Provo grote internationale bekendheid.
    De politie trad, naar Nederlandse maatstaven, hard op en Provo maakte daar dankbaar gebruik van om de autoriteiten ‘te kijk’ te zetten.”
    https://nl.wikipedia.org/wiki/Provo

  6. Hamecon says:

    Kerkelijke top leidde ‘revolutie’ jaren ’60

    GERARD DEKKER − 10/11/95, 00:00

    recensie James C. Kennedy, Nieuw Babylon in aanbouw – Nederland in de jaren zestig, Amsterdam/Meppel (Boom) 1995. .

    Dat is de opmerkelijke conclusie van de Amerikaanse historicus James Kennedy, die de ontwikkeling van de Nederlandse samenleving na de Tweede Wereldoorlog bestudeerde en ze vergelijk met die in andere landen, met name in de V.S. Opmerkelijk, omdat deze gedachtengang een ander licht werpt op de vraag hoe het komt dat in Nederland zulke ingrijpende veranderingen konden plaatsvinden zonder geweld en zonder al te grote spanningen..

    Want ingrijpend zijn de veranderingen qua godsdienstige en morele opvattingen en gedragingen zeker geweest; dat valt moeilijk te ontkennen als men de situatie van nu vergelijkt met die van de jaren vijftig. Ja, ze waren ingrijpender dan in enig ander Westers land. Uit andere onderzoekingen weten we immers dat Nederland in godsdienstig en zedelijk opzicht het meest permissieve, het meest tolerante land is geworden..

    Hoe kon zoiets gebeuren? Daarvoor zijn verschillende redenen aan te voeren en ook aangevoerd. Maar volgens Kennedy is de belangrijkste reden dat de ‘regenten’ – wat kerk en godsdienst betreft: de kerkelijke leiders – zich niet, zoals elders, verzetten tegen de opkomende veranderingen, maar zelf meegingen met die veranderingen en ze zodoende juist bevorderden en versterkten. En hij weet die stelling in zijn uitgebreide beschrijving ook aannemelijk te maken..

    Niet alleen de generaties die in of direct na de oorlog opgegroeiden waren overtuigd van de noodzaak van vernieuwing, ook de oudere generatie was dat. Nederland werd na de oorlog opgenomen in ‘de vaart der volken’ (het verliet zijn neutraliteitspolitiek) en het moest zich economisch vernieuwen (het voerde een bewuste industrialisatie-politiek). Kortom: het werkte aan een betere toekomst en het deed dat met optimisme: men geloofde in de maakbaarheid van de samenleving. Daarvoor was het nodig dat men het oude achter zich liet en zich vernieuwde..

    Die geestesgesteldheid was ook onder de kerkelijke leiders aanwezig. Volgens Kennedy geloofden in het midden van de jaren zestig de geestelijke leiders van de grootste kerken in Nederland (de rooms-katholieke kerk, de Nederlandse Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken) zowel om taktische redenen als uit overtuiging dat het ‘conventionele christendom’ toe was aan een grondige herziening..

    Zij boden daarom geen weerstand aan de van buiten af en van onder op komende veranderingen, omdat ook zij geloofden dat de oude manier van leven niet langer kon worden gehandhaafd in een moderne, dynamische wereld. Daarom ‘stelden kerkleiders alles in het werk om van hun instituten de moderne, progressieve krachtcentra te maken die naar hun mening noodzakelijk waren voor zowel het kerkelijk voortbestaan als voor de dienstbaarheid aan de wereld. Hun eerste doel was bij te raken en bij te blijven.’.

    Ingrijpende verandering.

    Het waren vooral de r.-k. kerk en de Gereformeerde Kerken die vanaf de jaren zestig ingrijpend veranderden. De Nederlandse Hervormde Kerk had zich al direct na de oorlog anders tegenover de zich moderniserende samenleving opgesteld en kreeg daarna te maken met de ‘wet van de remmende voorsprong’. Maar bij de twee andere kerkgenootschappen kan men zien dat de ‘leiders’ meewerkten aan de veranderingen..

    Binnen de rooms-katholieke wereld was er het optreden van bisschop Bekkers, alsmede de opstelling van kardinaal Alfrink, beiden behorend tot de oudere generatie. En binnen de gereformeerde wereld hebben de kerkelijk organen geleidelijk aan ook allerlei veranderingen geaccepteerd, omdat men graag iedereen wilde vasthouden en niet meer terug wilde naar de vroegere situatie van kerksplitsing..

    Of hiermee de hele ontwikkeling in de jaren zestig verklaard is valt te betwijfelen. Maar dat Kennedy op een belangrijke factor heeft gewezen lijkt wel zeker. En dat helpt ons bij het beoordelen en waarderen van de ‘stille revolutie’ die toen heeft plaatsgevonden.

    http://www.trouw.nl/tr/nl/4512/Cultuur/article/detail/2739631/1995/11/10/Kerkelijke-top-leidde-revolutie-jaren-60.dhtml

    “Nederland dankt zijn tolerante en progressieve klimaat volgens Kennedy aan een heterogene groep behoedzame gezagsdragers die zich zoveel zorgen maakte over het in de hand houden van ontwikkelingen, dat zij gedrag mogelijk maakte dat in andere landen niet zou worden geduld. De culturele revolutie van de jaren zestig is volgens hem niet alleen mogelijk gemaakt door gematigde en ouderwetse elites, maar door hen ‘gestuurd en zelfs aangemoedigd’. Het punt waarin Nederland verschilde van andere landen betreft de afkeer bij de Nederlandse autoriteiten van conflicten en geweld. Er zou onder de Nederlandse elites een consensus heersen dat het beter is de onvermijdelijke stroom moderne ontwikkelingen te kanaliseren dan die te stuiten. Kennedy beschouwt de naoorlogse elites dan ook eigenlijk als de zaaiers van de grote veranderingen van de jaren zestig.”
    http://www.dbnl.org/tekst/luyk006stil01_01/luyk006stil01_01.pdf

    • Hamecon says:

      Over de ‘verzorgingstaat’ als politiek stuurmiddel, zie R. Huntford, The New Totalitarians. http://eindtijdinbeeld.nl/EiB-Bibliotheek/Boeken/The_New_Totalitarians__Brave_New_Sweden___1980_.pdf

      1. The New Totalitarians 7
      2. The Historical Background 14
      3. Industrial Peace and the Rise of Modern Sweden 49
      4. A Planner’s Promised Land 68
      5. The Corporate State 86
      6. Judiciary and Ombudsman 122
      7. The Rule of the Apparatchik 135
      8. Agitprop and the Perpetuation of the Regime 147
      9. Economic Security and Political Servitude 166
      10. Welfare as an Instrument of Control 182
      11. Education in the Service of Conditioning 204
      12. The Environmental Mill 250
      13. The Mass Media as Agents of Conformity 285
      14. Culture in the Political Armoury 305
      15. The Sexual Branch of Social Engineering 325
      16. Brave New Sweden 338

      “Zweden is een planner paradijs, inderdaad een “model samenleving”, waar de zogenaamde “sociale ingenieurs” schijnbaar met de volledige instemming van de Zweedse bevolking in het algemeen in staat zijn geweest om veel van de traditionele “barrières” af te breken die eerder het sociale leven in categorieën moesten verdelen, zoals privé en publiek, goed en zondig, natuurlijk en onnatuurlijk. Dit breken van de binnengrenzen in de Zweedse samenleving werd internationaal opgemerkt en becommentarieerd, niet in het minst omdat het ook tot op zekere hoogte door Zweden zelf in het buitenland (on)bewust gepromoot werd. Zweden vertegenwoordigde een bewuste en op een of andere manier politieke poging om de samenleving te moderniseren niet alleen economisch, maar (nog belangrijker) politiek en cultureel (tot een model samenleving).” http://vanfrikschoten.nl/adam-post-archief/adam_posts/4068-The-New-Totalitarians.html ; Carl Marklund, Hot Love and Cold People Sexual Liberalism as Political Escapism in Radical Sweden, http://edoc.hu-berlin.de/nordeuropaforum/2009-1/marklund-carl-83/XML/

      “(…) eens een mens wordt aangedreven door zijn passies, verliest hij alle controle over zijn acties. Dus vrijheid van die soort, zoals de klassieke wijsgeren juist inzagen, wordt een vorm van slavernij. Diegenen die deze vorm van vrijheid promoten, of ze het zelf begrijpen of niet, promoten een vorm van sociale controle, omdat het motief voor de daad, die vroeger voortkwam uit de rede, nu vervangen is door de stimulering van de passies. Diegenen die de stimulus controleren, controleren [automatisch] degenen die erdoor geprikkeld worden.” – E. Michael Jones, Libido Dominandi, p.265, http://www.profamilia.nl/seksuele-revolutie.html​

      “Vondelpark en het COC
      Er kwam schoorvoetend een slaapverbod op de Dam, maar hierdoor braken ernstige onlusten uit. In 1971 had de gemeente een nieuwe plaats gevonden voor Damslapers: in het Vondelpark in Amsterdam werden de kampeerders door de autoriteiten met rust gelaten en stond het de hippies vrij hun love-ins te houden. Eind jaren zestig genoot Amsterdam de reputatie één van de belangrijkste centra van de seksuele revolutie in Europa te zijn. De homoseksuele subcultuur en de seksindustrie waren er ongeëvenaard. Het Cultuur- en Ontspannings Centrum (COC) werd hun vertegenwoordiger, maar kreeg nog geen stempel van goedkeuring door de reclame die ze maakte voor buitenechtelijke seks. In 1965 opperde De Telegraaf dat Amsterdam een internationaal ‘Mekka’ was geworden voor homoseksuelen. In 1971 werd de wettelijke leeftijd voor het hebben van homoseksueel contact verlaagd van 21 tot 16 jaar. Sommigen denken dat verzuiling de homo-emancipatie vergemakkelijkte in Nederland.

      Bron van zedeloosheid
      Amsterdam (en Nederland) werd een centrum voor een nieuw seksueel hedonisme. De NVSH stortte zich op nieuwe projecten teneinde alle taboes op seksueel gedrag te doorbreken. Ze was voorstander van pornografie, homoseksuele contacten en partnerruil. Zelfs durfde ze over pedofilie te praten. Ze bepleitte de afschaffing van alle leeftijdsbeperkingen op seksuele activiteiten. Hoewel het nooit zover kwam stuitte dit voorstel tijdens de jaren zeventig op opmerkelijk weinig tegenstand. De aap kwam nu dus wel uit de mouw van deze organisatie die begon met het stimuleren van anticonceptiemiddelen. Dat Amsterdam een bron van zedeloosheid werd was te wijten aan vele factoren, en niet in het minst aan de bereidheid van zowel lokale als nationale politici om toe te staan wat slechts enkele jaren daarvoor volstrekt zou zijn afgewezen. ‘Die overheid blijkt toch vrijzinniger dan men denkt…’”
      https://gereformeerden.wordpress.com/nieuw-babylon-in-aanbouw/

  7. Hamecon says:

    Globalistische utopie ? : “Constants toekomstige stad wordt bewoond door de homo ludens. Arbeid is volledig geautomatiseerd. Werken hoeft niet meer. Iedereen is vrij om te spelen en te reizen. Totale vrijheid.”
    https://jamjanssen.wordpress.com/2016/07/25/new-babylon-van-constant/


    (Simon Vinkenoog interviewt Constant Nieuwenhuijs over Nieuw Babylon)

  8. Hamecon says:

    Hieronder volgt de ‘Inleiding’ van ‘Nieuw Babylon in aanbouw. Nederland in de jaren zestig’ door James C. Kennedy (Boom, Amsterdam/Meppel 1995) https://archive.org/stream/NieuwBabylonInAanbouw.NederlandInDeJarenZestigJamesC.Kennedy1955/Nieuw%20Babylon%20in%20Aanbouw.%20Nederland%20in%20de%20Jaren%20Zestig%20-%20%20James%20C.%20Kennedy%20%281955%29#page/n15/mode/2up

    ‘De tijden zijn veranderd, en wij moeten mee veranderen, niet uit kameleontische karakterloosheid, maar uit opmerkzaamheid voor de teekenen der tijden.”

    – Theoloog Hendrik Kraemer (1945)

    Op 1 oktober 1965 werd in het Gemeentemuseum van Den Haag onder grote belangstelling een tentoonstelling geopend van Constant Nieuwenhuys (1920- [2005 – ed.] ). Ook het nieuwste project van deze kunstenaar, New Babylon, was daar te bezichtigen. Constant (zoals hij graag genoemd wordt) is één der grondleggers van zowel COBRA als de situationisten, twee prominente avant-gardestromingen van kort na de Tweede Wereldoorlog. In de jaren vijftig ontwikkelde deze eigenzinnige marxist echter een sterke afkeer van avant-gardistische kunst en functionalistische architectuur, die hij beschouwde als elitaire pogingen om ‘de massa’ te beroven van spel en creativiteit. Hij wist daardoor geregeld de aandacht op zich te vestigen.’ Rond 1960 ontwierp hij New Babylon, een architectonische blauwdruk voor een ‘utopia’ dat hij 50-100 jaar in de toekomst situeerde.

    New Babylon was een samenleving, ontworpen voor een ontwakende ‘nieuwe mens’, die door de wonderen van de technologie bevrijd is van de natuur, zich aan elk functioneel verband heeft ontworsteld en zijn hele leven kan besteden aan reizen, avontuur en creativiteit: de homo ludens (spelende mens). De oude manier van leven, het ora et labora, kon worden vervangen door een volledig gemechaniseerde en kunstmatige wereld waarin de factoren natuur en tijd waren geëlimineerd en er volkomen vrijheid was voor iedereen.* In New Babylon zou ‘geen religie meer zijn, geen moraal, geen recht, geen kunst, geen gezin, en ook geen stad, woning, straat, sportveld etc.’. In deze ‘anti- functionele stad’ zou slechts de creativiteit overblijven.

    Door de tentoonstelling in Den Haag werden de ideeën van de kunstenaar bekend in binnen- en buitenland.* Een krant noemde 1965 zelfs het ‘Jaar van Constant’. De culturele visie van New Babylon was van grote invloed op het politiek manifest uit 1967 van de socialisten van ‘Nieuw Links’.’ De provo’s, die omstreeks die tijd bekend werden door hun ludieke acties in Amsterdam, ‘adopteerden’ New Babylon eind 1965 zelfs als hun visie op de toekomst.’ En hoewel de persoonlijke invloed van Constant langzaam, verdween, kwam zijn visie op een cultuur vol spel en creativiteit in de loop van de jaren zestig steeds meer in de belangstelling te staan. Tegen het einde van het decennium was Nederland een land geworden waar, in de ogen van veel buitenlanders, alles mogelijk scheen te zijn – van getrouwde katholieke priesters tot semi-legale marihuana. Het leek meer op het ‘New Babylon’ van Constant dan enige samenleving ooit eerder had gedaan of, zoals nu blijkt, zou doen.

    Het ongewoon liberale klimaat in Nederland zou men kunnen wijten aan de hogere concentraties provo’s en hippies in dit land, of aan toegeeflijke bestuurders die zich weinig bekommerden om de belangen van hun onderdanen (evenals in de dagen van Rembrandt en Spinoza). Maar beide veronderstellingen zijn niet juist. Nederland dankt zijn tolerante en progressieve klimaat aan een heterogene groep behoedzame gezagsdragers die zich zoveel zorgen maakte over het in de hand houden van ontwikkelingen, dat zij gedrag mogelijk maakte, en zelfs stimuleerde, dat in andere landen niet zou worden geduld. De belangrijkste brengers van vernieuwing waren dus mensen van wie omvangrijke veranderingen het minst werd verwacht. Hun ondergewaardeerde rol is cruciaal in het begrijpen van de metamorfose die Nederland in de jaren zestig doormaakte.

    Geen enkel land in West-Europa (mogelijk met uitzondering van Italië) veranderde gedurende de jaren zestig meer dan Nederland. Tot het einde van de jaren vijftig beschouwden buitenstaanders Nederland over het algemeen als een eigenaardig en ‘ouderwets’ landje, dat nog trouw was aan tradities en gewoonten van een vorig tijdperk. Zo herinnert de Amerikaanse socioloog Ronald Inglehart zich van zijn jaren in Leiden aan het begin van de jaren zestig dat Nederland ‘aanzienlijk traditioneler’ was dan de Verenigde Staten.’ En af en toe werd een apocriefe uitspraak van Heinrich Heine aangehaald (soms ook toegeschreven aan Voltaire): ‘Als de wereld verloren gaat, dan zou ik naar Holland gaan, waar alles vijftig jaar later gebeurt’. Deze indrukken waren juist als men de ‘moderne samenleving’ definieert als geïndustrialiseerd en geseculariseerd (geringe invloed van religie op het openbare leven). Nederland industrialiseerde laat, in tegenstelling tot de omliggende landen (België en Duitsland). Ook al zagen historici vanaf 1890 een economische opbloei, een grote toename van de industriële produktie bleef uit tot na de Tweede Wereldoorlog. Nederland was tot diep in de jaren vijftig een betrekkelijk arm land.

    Stakingen waren zeldzaam, slechts weinig vrouwen werkten buitenshuis en de lonen bleven tot het midden van de jaren zestig relatieflaag. Grote, invloedrijke katholieke en protestantse subculturen hielden omvangrijk kerkbezoek en hoge geboorten cijfers in stand en maakten zo van Nederland een statistische uitzondering in Noord-Europa. Bovendien leek Nederland de belichaming van ‘een trouwe bondgenoot’ van Amerika, onovertroffen in anti-communisme en atlanticisme. Zelfs toen vanuit de Verenigde Staten zware druk werd uitgeoefend om Indonesië (eindjaren veertig) en Nieuw-Guinea (beginjaren zestig) te verlaten, bleef Nederland de Amerikaanse buitenlandse politiek steunen.

    Beginjaren zeventig was er vrijwel niemand meer die in dergelijke behoudende termen dacht. Na een decennium vol provo’s en rebelse katholieken bleek Nederland voorop te lopen in tolerantie en progressiviteit. De Nederlandse visie op soft drugs, prostitutie, homoseksualiteit, het koningshuis, orde en gezag trok veel aandacht in de buitenlandse pers. Amsterdam werd beroemd en berucht als een internationaal Babylon. Als welvarend land, met high-tech prestaties zoals de Deltawerken, was Nederland snel bezig de statistische kloof die het van buurlanden scheidde te overbruggen.* Kerken liepen leeg, de geboortencijfers doken omlaag en een eens ongewoon rustig politiek klimaat vertoonde voortekenen van een storm die de consensus-politiek teniet dreigde te doen. In de jaren zeventig rees in Nederland ineens felle kritiek naar aanleiding van de vervanging van kernwapens, wat Walter Laqueur in 1981 spottend ‘Hollanditis’ noemde. In 1975 merkte de Nederlandse historicus H.W. von der Dunk op: ‘Nederland heeft zich in het laatste decennium ontwikkeld tot het meest anti-traditionalistische land van het Westen…’. Reeds in 1967 had een Brits journalist het iets laconieker gesteld: ‘The Dutch have stopped being Dutch’.

    Niet iedereen deelde de impressie dat de Nederlandse samenleving in deze periode een ingrijpende transformatie doormaakte. Bij de meeste Nederlanders hebben de belangrijke gebeurtenissen in de jaren zestig geen persoonlijke crisis veroorzaakt. De Nederlandse socioloog Nico Wilterdink herinnerde zich, in een vroeg demasqué van de jaren zestig, dat hij in zijn studententijd veel naar saaie feestjes ging en vaak uitsliep. Maar zelfs Wilterdink deelde met zijn vrienden de indruk dat alles rondom hem aan het veranderen was. En in Nederland vonden inderdaad veel veranderingen plaats, ook al waren ze vaak ongrijpbaar.

    Opmerkelijk is dat deze culturele transformatie in veel opzichten verder strekte dan die in Amerika, maar niet veel minder geweld tot stand kwam. Noch de staat, noch de burgers namen hun toevlucht tot geweld.

    De veranderingen vonden plaats zonder dat werkelijk een politieke revolutie dreigde. Nederland heeft nooit een radicale en gewelddadige verzetsbeweging gekend, zoals de Weathermen in de Verenigde Staten, de RAF in Duitsland of de Rode Brigade in Italië (de Molukse terroristen van de jaren zeventig vormen mogelijk een uitzondering, maar hun acties waren niet direct het gevolg van een algemene maatschappijkritiek). De rellen die Amsterdam in juni 1966 troffen, waarbij één betoger stierf als gevolg van een hartaanval en waarin verscheidene personen door politiekogels gewond raakten, waren verreweg de ernstigste onlusten in het decennium.

    Voor deze relatief probleemloze omslag zijn tal van voor de hand liggende verklaringen aan te voeren: de door de opbouw van een uitgebreide verzorgingsstaat afgenomen sociaal-economische emancipatiestrijd, de homogeniteit van de Nederlandse samenleving en het feit dat Nederland geen Vietnamoorlog meemaakte (in Amerika leidde die oorlog tot sterke polarisatie). Er is nog één andere cruciale factor, die terug te vinden is in het werk van de politicologen Arend Lijphart en Hans Daalder: het verschil in politieke cultuur tussen Nederland en veel andere democratieën, zoals bij voorbeeld de Verenigde Staten.’ Al vanaf het begin van de Nederlandse Republiek hadden bestuurders, geconfronteerd met religieus pluralisme, sterke regionale belangen en buitenlandse dreiging, namelijk geleerd compromissen te sluiten.

    In de zestiende eeuw werden de centra van rijkdom en macht in de Nederlanden gevonden in de steden, bij de bourgeoisie, die allerlei politieke en godsdienstige overtuigingen aanhing. Deze stedelijke magistraten zagen om praktische en principiële redenen weinig heil in het streven naar religieuze uniformiteit. De Republiek heeft ook nooit een echte staatskerk gekend. De hervormde kerk was niet meer dan een bevoorrecht, ‘publiek’ instituut dat mensen zowel opwekte als dwong om lid te worden. Het was te danken aan de tolerante houding van de magistraten en aan de hoge confessionele normen van de orthodoxe hervormden (die weinig voelden voor een brede, allesomvattende kerk) dat aan andere religieuze groeperingen relatief veel vrijheid werd gelaten. Zo was het de katholieken officieel niet toegestaan hun godsdienst uit te oefenen, maar dit werd wel gedoogd. Omdat in de burgerlijke samenleving geen enkele religieuze of politieke overtuiging het alleenrecht kon opeisen, regeerden de Nederlandse regenten met elkaar. Hierdoor kende Nederland een voor het zeventiende-eeuwse Europa ongekende tolerantie ten aanzien van heterogene groeperingen.

    Hoewel dit traditionele pluralisme in de loop van de negentiende eeuw weer naar de achtergrond verdween door het ontstaan van een gecentraliseerde, liberale en ‘neutrale’ staat, kreeg het tegen het einde van die eeuw, toen de onvrede over de liberale dominantie groeide, een nieuwe gestalte. De omvangrijke middenklasse in Nederland en de relatieve kracht van de agrarische sector (door de teloorgang van de steden in de achttiende eeuw), droegen bij aan de ongewone invloed van de godsdienst in het politieke en sociale leven in de negentiende eeuw. De predikant en politicus Abraham Kuyper (1837-1920) is de invloedrijkste persoon geweest in de vormgeving van het Nederlandse systeem van ‘geïnstitutionaliseerd pluralisme’ (meestal aangeduid met ‘verzuiling’. Kuyper was de stichter van de gereformeerde politieke stroming die zich wilde losmaken van de liberalen teneinde een zelfstandige positie in te nemen. Hij ijverde met name sterk voor de gelijkberechtiging van christelijke scholen. Het initiatief van de gereformeerden werd al snel nagevolgd door katholieke leiders, die een kansarm gedeelte van vijfendertig procent van de bevolking vertegenwoordigden. Zij verwachtten dat katholieke scholen en andere katholieke organisaties de emancipatie van hun geloofsgenoten zouden bevorderen. Zowel deze godsdienstige groeperingen alsook de opkomende sociaal-democratische beweging probeerden hun achterban tegen de liberale Leviathan te beschermen door eigen subculturen op te bouwen. Het resultaat was niet een ‘nationale’ cultuur zoals de liberalen wensten, maar verschillende subculturen; vandaar de metafoor van ‘verzuiling’, waarbij het dak van de maatschappij wordt gedragen door onderscheiden en separate zuilen. Hoewel ‘verzuiling’ niet een uniek Nederlands verschijnsel was (politiek georganiseerd katholicisme en sociaal-democratie kwamen overal in Europa op), was de structuur van de Nederlandse verzuiling – met zowel een sociaal-democratische, een protestantse, een katholieke als een liberale zuil – zeer complex. Halverwege de twintigste eeuw bezaten deze zuilen een rijkdom aan eigen organisaties, van politieke partijen tot jeugdclubs en omroepverenigingen.’ Zij werden alle ingelijfd in een staatssysteem dat, mede geïnspireerd door Kuypers denkbeeld van de soevereiniteit in eigen kring, de relatieve autonomie van deze organisaties erkende.

    Deze zuilen stonden onder leiding van een vrij kleine groep ‘regenten’, die, volgens eeuwenoude traditie, gezamenlijk streefden naar consensus en compromis. In elke zuil, en ook tussen de zuilen, vormden vakbondsleiders, ondernemers, dagbladredacteuren, geestelijken, politici, ambtenaren en andere vooraanstaande Nederlanders de regerende elites. Zij probeerden op nationaal en lokaal niveau het goede te vinden voor hun achterban zonder dat zij hooglopende conflicten met andere subculturen hoefden te riskeren. De contouren van de Nederlandse politieke cultuur waren zodoende tamelijk oligarchisch, afgezien van de massa-politiek die nodig was voor de opbouw van subculturele organisaties. ‘Volkssoevereiniteit’, waartegen christenen zich fel verzetten, werd nooit de formele bron van gezag in Nederland.

    Deze elites bleven Nederland domineren tot de jaren zestig, en zij hebben in gewijzigde vorm hun bestuursmacht sindsdien voortgezet. Hun tamelijk zwakke reactie op de ontwikkelingen in het decennium waarin zoveel culturele veranderingen plaatsvonden, was van vitaal belang voor de gebeurtenissen in die jaren. Overal in het Westen waar men de autoriteiten het vuur na aan de schenen legde, hebben de uitgedaagden besluiteloos, inconsistent of minzaam gereageerd. Hun respons werd wisselend beschreven als het buigen voor de druk van het volk of als het uitoefenen van ‘repressieve tolerantie’. Maar vooral de Nederlandse elites (de vertegenwoordigers van de gevestigde partijen, dagbladen, verenigingen en kerken) voelden er niets voor zich schrap te zetten, om een Gaullistische meerderheid of een ‘silent majority’ (Nixon) te ontbieden ter verdediging van de status quo. Zij hadden bij voorbeeld de hulp kunnen inroepen van het omvangrijke lezerspubliek van De Telegraaf, het meest gelezen dagblad in Nederland, dat vaak met wantrouwen melding maakte van culturele veranderingen. Maar die weg sloegen de elites niet in. Ook boden ze geen weerstand aan de opzienbarende veranderingen in zowel de katholieke als de gereformeerde kerken. Evenmin verzetten zij zich (op enkele uitzonderingen na) tegen de opmerkelijke veranderingen in het waarden- en normenpatroon van de bevolking. In feite waren zij aanhangers en zelfs bereidwillige predikers van het modewoord ‘vernieuwing’. Een reactionaire politiek en retoriek, waarbij krachten opgewekt kunnen worden voor handhaving van de status quo of terugkeer tot een voormalige gouden eeuw, ontbrak onder deze elites.’

    Wetenschappers hebben gewezen op verschillende factoren die de zwakke reacties van de elites verklaren. Zo wezen zij op het rustige Nederlandse politieke klimaat waaraan de politici gewend waren, zodat zij zich snel gewonnen gaven toen bewegingen waar ze geen controle over hadden onverwacht vraagtekens zetten bij hun autoriteit.’ Sociologen, zoals J.E. EUemers, onderzochten ontwikkelingen binnen de zuilen waarbij een jongere generatie leidinggevenden tegenover de oudere garde werd geplaatst. De scheiding der geesten die als gevolg hiervan binnen de elites plaatsvond, versnelde het veranderingsproces.’ Natuurlijk hebben onderzoekers de veranderingen ook toegeschreven aan de ‘pacificatiepolitiek’, die in de geest van het pluralisme protestbewegingen liever institutionaliseerde dan dat ze deze uitsloot van de onderhandelingen.’ Andere wetenschappers gaven de voorkeur aan een moderne interpretatie van de veranderingen. De gewezen politieke cultuur werd door hen afgeschilderd als het overblijfsel van een voorbije eeuw, niet aangepast aan de nieuwe sociaal-economische omstandigheden; een kaartenhuis dat dreigde in te storten. Te midden van zoveel sociale en economische veranderingen moesten verouderde politieke en culturele instellingen wel mee veranderen – het gedrag van de oude elites was irrelevant.

    Deze laatste interpretatie is niet geheel zonder verdienste, maar klinkt mij tamelijk deterministisch in de oren. Alsof een ‘moderne’ maatschappij ook een ‘modem’ politiek systeem vereist – ja, alsof ‘modem’ een afgebakende betekenis heeft. Zwitserland, een in technologisch opzicht hoog ontwikkeld land, heeft lange tijd weten tegen te houden wat ieder ‘modem’ land al lang had gedaan: kiesrecht verlenen aan vrouwen. Ook het nationaal socialisme was een ‘modem’ verschijnsel. Deze interpretatie werpt een interessante vraag op: in hoeverre versnelt het geloof in de komst van het ‘moderne leven’ de doorbraak van dit ‘moderne leven’? Het wijdverbreide geloof in de onverbiddelijke komst van het ‘moderne leven’ is één van de fascinerendste aspecten in de denkwereld van de Nederlandse elites in de jaren zestig. Velen getuigden van hun geloof in de onvermijdelijkheid van verandering, en meenden dat de enige verstandige beslissing kon zijn van de nood een deugd te maken.

    Dit geloof in de onverbiddelijke komst van veranderingen is een cmciale factor in de Nederlandse politieke cultuur geweest. Evenals andere Europeanen gaan Nederlanders merkwaardig om met de vraag wie of wat een belangrijke rol speelt in de geschiedenis. De ‘ik’, ‘wij’, ‘jullie’ en ‘zij’ die met regelmaat verschijnen in toespraken van Amerikaanse politieke leiders, worden veel discreter gebmikt in de retoriek in Nederland. Voor de Amerikanen hebben het goede en het kwade in de wereld meestal een persoonlijke bewerker; zelfs het falen met betrekking tot het ‘verslaan’ van kanker is toe te schrijven aan menselijke fouten. Nederlanders maken veel minder gebraik van deze retoriek. Dit kan gedeeltelijk worden geweten aan de bescheidenheid die door de Nederlanders tot een nationale deugd is verheven. Maar er zijn nog meer verklaringen voor deze ‘historistische’ denkwijze.

    Door de geschiedenis heen heeft het calvinisme een belangrijke rol gespeeld in het religieuze en politieke klimaat van Nederland. Calvinisten hadden oog voor Gods hand in de geschiedenis; al het menselijk streven om deze goddelijke handelwijze te stuiten was zinloos, want de geschiedenis ontvouwde Gods plan. Nederlandse calvinisten geloofden dat een rechtvaardige en machtige God de ordening van de Nederlandse maatschappij niet onberoerd liet bij het volvoeren van Zijn voornemen de geschiedenis. Van de zestiende tot de twintigste eeuw leefde in de Nederlandse calvinistische theologie een sterk besef dat in de geschiedenis de goddelijke wil over de menselijke begeerte zegeviert. In weerwil van calvinisten als Isaac da Costa (1798-1860), die een reactionaire arkeer van de ‘geest der eeuw’ ontwikkelden, waren de meeste calvinisten de overtuiging toegedaan dat de wereld zich ontwikkelde langs de lijnen van een door God uitgestippeld plan. Toen de gereformeerden aan het eind van de negentiende eeuw op het politieke toneel verschenen, gaven zij wel blijk van hun affiniteit met conservatieve politieke bewegingen, maar zij hebben nooit op eenzelfde wijze steun verleend aan ‘traditie’ en de status quo. Kuyper was een man die een groot verlangen had om op de hoogte te blijven van de nieuwste ontwikkelingen’, en zijn antirevolutionaire mannenbroeders – die in 1 879 in Nederland de eerste moderne politieke partij vormden – waren over het algemeen mannen uit de middenstand die het ‘modernisme’ met modeme methoden wilden aanpakken. Ze wilden dus niet terugkeren naar het tijdperk van vóór de gehate Franse Revolutie.

    Naast de calvinistische theologie had ook het Duitse idealistische en romantische gedachtengoed in zowel de negentiende als de twintigste eeuw veel invloed op de Nederlandse bestuurders. De aanhangers van dit gedachtengoed hielden zich aan een historistische Weltanschauung; aan de opvatting dat geschiedenis ontwikkeling, ontplooiing en beweging betekent, gestuurd door een Kracht of krachten onafhankelijk van menselijk handelen. Een andere romantische notie die in de Nederlandse cultuur doordrong, is de vergelijking van de maatschappij met een ‘organisme’, dat groeit en zich ontwikkelt volgens een eigen wetmatigheid. Nederlanders maken nog steeds gebruik van organische uitdrukkingen als ‘de samenleving ontwikkelt zich’.’ De menselijke wil is niet onbelangrijk, maar is begrensd en ingegeven door de ‘ontwikkeling’ van de samenleving.

    De beperkte macht van de Nederlandse elites was een derde factor die een zeker historisme versterkte. Nederlandse voormannen werden vaak geconfronteerd met intemationale ontwikkelingen waarop zij weinig greep hadden. Voor de leiders van een klein land lag het ontlopen van gevaar in het ontcijferen van ‘het schrift op de wand’ en het aanpassen aan onvermijdelijke ontwikkelingen. Bovendien waren Nederlandse elites nauwelijks in staat tot machtsvertoon in een verdeeld land waar geen politieke of godsdienstige stroming een meerderheid kon bereiken. Het boek van Theun de Vries over de zeventiende eeuwse staatsman Oldenbameveldt, zowel voor als na de oorlog veel gelezen, is in dit opzicht illustratief:

    ‘Oldenbameveldt heeft de rol vervuld, die de omstandigheden hem hebben toebedeeld. Hij heeft ze dóór willen spelen, ook toen zijn werk voltooid kon worden genoemd. Hij heeft de geschiedenis van zijn volk veertig jaar helpen drijven, om toch eindelijk zelf door haar te worden gedreven. Nieuwe omstandigheden, een nieuwe koers hebben hem meegesleurd, tot bij de beheersching over het stuur van wereld en ik verloor. Niet Maurits, niet zijn persoonlijke vijanden, hebben hem in de eerste plaats doen vallen, maar de omstandigheden, wier werktuig hij eenmaal geweest was, en waarvan hij niet wilde erkennen, dat hij haar gunst verloren had.’

    Deze gevoeligheid voor de ‘onvermijdelijke’ wegen van de geschiedenis heeft geleid tot welhaast komische reacties in crisissituaties. Koning Willem II (1840-1852) werd naar eigen zeggen in één nacht van conservatief plotseling liberaal toen een revolutie dreigde die uiteindelijk nooit plaatsvond. Op eenzelfde wijze zette koningin Wilhelmina, in ‘opdracht’ van de tijd, vanaf november 1918 verstrekkende arbeidshervormingen in gang, nadat de socialistische leider Troelstra een revolutionaire toon had aangeslagen. Toen de burgemeester van Rotterdam ervan overtuigd was dat de Duitse revolutie niet zou stoppen bij de grens, gaf hij het beheer van de stad in handen van de sociaal-democraten. En in 1940 schreef de voormalige premier Hendrik Colijn in het tegenwoordig beruchte pamflet Op de grens van twee werelden, dat de Duitse overheersing een historische ontwikkeling was waarmee de Europeanen moesten leren leven.

    De moloch van de geschiedenis was na de Tweede Wereldoorlog nog duidelijker aanwezig. De oorlog had op de Nederlanders de indruk nagelaten dat zij zich moesten onderwerpen aan een nieuwe politieke constellatie en niet de rampzalige koers van neutraliteit blijven volgen. Waren politici voorheen tegen handelsblokken, na de oorlog voelden Nederlandse politici zich gedwongen de Europese economische integratie te steunen. Veel Nederlanders hadden zich verzet tegen de dekolonisatie van Indonesië en Nieuw-Guinea, maar ook dit bleken ontwikkelingen te zijn waaraan ze moesten toegeven. Nederlandse elites geloofden dat Nederland door de ‘modernisering’ aan het veranderen was en dat deze verandering absoluut noodzakelijk was. De elites lieten zich na de oorlog informeren door modernisatie-theoretici zoals Mannheim en Shils, die het sociale en economische proces leken te beschrijven waar het ‘ouderwetse’ Nederland doorheen moest. Nederlandse elites uit de jaren vijftig koesterden goede hoop dat deze nieuwe krachten beheerst konden worden, maar stonden toch versteld van de grote veranderingen die de modernisering bewerkstelligde, en onderkenden tevens dat de levensvatbaarheid van traditionele overtuigingen door deze krachten werd ondermijnd. Er waren dus veel ‘historische ontwikkelingen’ die de Nederlandse elites imponeerden door hun onverbiddelijkheid en hen overtuigden van hun beperkte macht. De waarschuwing van Sir Isaiah Berlin in 1953 tegen het ‘sociale determinisme’ van de ‘historistische onvermijdelijkheid’ kon speciaal zijn bedoeld voor de Nederlandse elites. ‘Je kan niet – nee, je mag niet – tegen de tijd ingaan’, zei een D66-politicus onlangs tegen de CDA-ideoloog Arie Oostlander, en deze uitspraak geeft het heersende denkpatroon goed weer.

    Ten slotte vervulde het historisme een belangrijke ideologische functie in de ‘pacificatiepolitiek’. Voor elites met zeer uiteenlopende overtuigingen werd ‘de hand van de geschiedenis’ met haar ogenschijnlijk onmiskenbare aanwijzingen een basis waarop consensus-beleid kon worden ontworpen. Weliswaar was niet iedereen het eens over de richting waarin de hand wees, maar al zoekend naar een gemeenschappelijke overtuiging leken pragmatische concessies aan het onvermijdelijke een goede manier om beleid vast te stellen. In bescheiden en voorzichtige vernieuwing konden alle partijen zich vinden – een beleid dat rampen zou voorkomen. De burgemeester van Hilversum J. J.G. Boot herinnerde zijn collega’s in 1967 er aan dat ‘het beste middel om gezagscrisis en revolutie te voorkomen is: goed progressieve leiding geven’.

    Dit respect voor het ‘natuurlijk’ verloop van de geschiedenis had een tweeledig effect. Aan de ene kant ontstond een retoriek van ‘bij de tijd zijn’, waardoor bepaalde anachronismen een snelle dood stierven. Von der Dunk en Ernest Zahn hebben er op gewezen dat in de Nederlandse politieke cultuur een openlijk ‘conservatief’ alternatief voor politieke en sociale kwesties lange tijd ontbrak. Daardoor werd een eenzijdig ‘progressief’ spectrum gecreëerd en viel onverholen steun voor de status quo min of meer weg uit de politieke retoriek. Von der Dunk merkte op dat de term ‘conservatief’ als zelfbeschrijving in de laatste decennia van de negentiende eeuw verdween. Zij werd een vies etiket dat politici alleen nog plakten op hun tegenstanders. Von der Dunk ontkent niet dat de godsdienstige partijen in werkelijkheid de sociale en economische status quo verdedigden. Dat deden zij overigens vooral in de periode tussen de beide wereldoorlogen. Nederland werd een land van ‘anoniem conservatisme’, waar openlijke steunbetuigingen aan de status quo voor het grootste deel tot zwijgen waren gebracht. Dit onevenwichtige retorisch bouwwerk werd na de Tweede Wereldoorlog verder versterkt. ‘Rechts’ – een benaming waar vele confessionele politici zich tot 1940 graag mee sierden – werd sindsdien beschouwd als nog verfoeilijker dan ‘conservatief’.

    Aan de andere kant zijn Nederlandse elites nauwelijks bedeeld met profetische gaven en waren ze hun tijd zelden vooruit. Hun verbazing over de politieke conflicten van de jaren zestig is daarvan een duidelijk bewijs. Han Lammers, die binnen de PvdA al snel één van de kopstukken in de Nieuw Links-beweging werd, schreef in maart 1965 tamelijk nuchter over de vooruitzichten van politieke vernieuwing en de passieve houding van de politici in Den Haag: ‘De tijd, zo schijnt het motto te zijn, heeft zijn loop, en wij wandelen wel mee’.’ Gertjan Dijkink merkte op dat vooral de Nederlandse politici door de tijdgeest opgezweept leken te worden. Volgens hem gaven ze onevenredig veel aandacht aan crises van het moment, maar vergaten vrijwel al deze kwesties binnen een paar jaar weer.” Nederlandse elites reageerden, maar kwamen zelf nauwelijks met gedurfde initiatieven tot veranderingen.

    Door een reeks naoorlogse ontwikkelingen werden deze behoedzame elites echter veranderd in brengers van vernieuwing. In de rond hen razendsnel veranderende wereld kon de orde naar hun mening alleen worden gehandhaafd door aanpassing. Zo overtuigden politieke, religieuze en andere culturele elites elkaar ervan dat het juist en noodzakelijk was te breken met vroeger beleid. Om het evenwicht te bewaren moesten veel vernieuwingen worden doorgevoerd. Deze conclusie werd noch meteen na 1940, noch door iedereen getrokken, maar was wel wijdverspreid en kreeg steeds meer invloed onder beleidmakers van de jaren veertig tot en met de jaren zestig. Deze aanpassende houding werd eerst zichtbaar binnen het sociaal-economisch en het buitenlands beleid, en later in de religieuze, culturele en politieke concessies die werden gedaan toen in de jaren zestig de protesten oplaaiden. In plaats van weerstand te bieden neigden de elites deze ontwikkelingen te interpreteren als tekenen van de veranderende tijden, waaraan ze moesten toegeven. Met de actieve demonstranten aan de ene kant en accommoderende historisten aan de andere, schoofde Nederlandse politieke cultuur tijdens de jaren zestig naar links.

    De bovengenoemde factoren maken duidelijk waarom gedurende de jaren zestig een doeltreffende conservatieve retoriek vrijwel afwezig was; er waren geen pleidooien voor de handhaving van de status quo, noch voor de terugkeer naar een voormalig roemrijk tijdperk. Weliswaar werd wel tegengestribbeld door De Telegraaf, door de afgevaardigden van de gemarginaliseerde Boerenpartij en door de kleine, orthodox-calvinistische kerken. Maar deze protesten waren in de Nederlandse politieke cultuur van marginale betekenis, en werden door de Nederlandse elites veroordeeld als onredelijke en ongemanierde reacties op de veranderende tijden. In plaats daarvan stimuleerden de elites de openbare retoriek die de jaren zestig domineerde: de retoriek van de vernieuwing. De strekking hiervan kan in zeer algemene termen worden weergegeven als: ‘wat was is voorbij, en dat is maar goed ook’. De elites die verouderde instellingen vertegenwoordigden voelden zich evenzeer verplicht om deze taal te gebruiken als hun jongere, meer radicale, opponenten. Deze vemieuwingsretoriek – die geen vaststaande inhoud had – verenigde verschillende ideologische partijen die verder weinig met elkaar gemeen hadden: culturele pessimisten, kerkelijke hervormers, politieke pragmatici en (later) actievoerders. Zowel de elites in de jaren vijftig als Nieuw Links in de jaren zestig maakten deel uit van een politieke cultuur waarin openlijk verzet tegen verandering feitelijk onmogelijk was geworden. Wel waagden provo’s en radicale studenten zich op paden die niemand in de jaren zestig had kunnen bevroeden. Maar de jonge radicalen van de late jaren zestig waren tegelijkertijd de erfgenamen van een vernieuwingsgezinde politieke cultuur die al jaren had bestaan en die genegen was hun aanzienlijke macht en invloed te verlenen.

    Het is ironisch dat de ‘culturele revolutie’ van de jaren zestig werd vergemakkelijkt, gestuurd en zelfs aangemoedigd door gematigde en in wezen ouderwetse elites.’* Ik denk niet dat Zahn volkomen gelijk heeft als hij de elites bijzonder ‘progressief’ noemt; in veel opzichten bleven ze in hun werkwijze tamelijk gebonden aan de traditie.’ Het zou dus niet juist zijn te veronderstellen dat deze elites werkelijk van plan waren de oogst binnen te halen van wat ze hadden gezaaid. Maar toch waren zij wel degelijk de zaaiers. Deze groep heeft, juist omdat ze conservatief was (een historistische kijk had op verandering) en juist omdat ze elitair was (niet geïnteresseerd in het creëren van een reactionair populisme) meegewerkt aan de grote verandering. Alhoewel deze elites vaker op veranderingen reageerden dan dat ze deze bewerkstelligden, toonden ze zich niettemin onmisbaar in de omvangrijke vernieuwingen van de jaren zestig. ‘Het geheim van die tijd was dat we Provo hadden’, zei de journalist Rinus Ferdinandusse in 1993, toen hij de blijvende verzotheid van veel moderne ‘rebellen’ voor de magische tegencultuur van de jaren zestig overdacht. Het zou juister zijn geweest te zeggen dat het ‘geheim’ lag in de conservatieve en oligarchische elites die, om zowel ideologische als pragmatische redenen, bereid waren zich aan te passen aan aanzienlijke sociale en culturele veranderingen.

    Het is deze aanpassingsgezindheid die de jaren zestig in Nederland anders maakte. In de meeste opzichten verschilden de sociale en economische ontwikkelingen in Nederland nauwelijks van de ontwikkelingen in andere Westeuropese landen. Elke trend die als karakteristiek gold voor de jaren zestig, van jeugdculturen tot ongekende welvaart, was ook in Nederland duidelijk zichtbaar. Slechts in het plotselinge verval van de eens zo invloedrijke kerken verschilde Nederland van bij voorbeeld België en West-Duitsland. Zelfs de openheid van de gevestigde politici was niet een specifiek Nederlands verschijnsel, veel vooraanstaande Amerikaanse progressieven waren ook ontvankelijk voor de culturele veranderingen in de jaren zestig. Waarin Nederland wel verschilde van andere landen, dat is de afkeer van de Nederlandse autoriteiten voor conflicten en geweld, gekoppeld aan de overtuiging dat het beter is de onvermijdelijke stroom ‘moderne’ ontwikkelingen te kanaliseren dan die te stuiten. Deze zienswijze werd niet alleen gedeeld door de ‘progressieve’ leiders, maar evenzeer door de ‘conservatieve’. Er was noch heldenmoed, noch tragiek in het spel; de Nederlandse autoriteiten misten niet alleen de mogelijkheid, maar vooral ook het inzicht en de wil om weerstand te bieden dezelfde ontwikkelingen waartegen hun collega’s in andere landen zich wel zouden verzetten.

    In de uitwerking van dit gezichtspunt richt hoofdstuk 1 zich op de opvattingen van de gematigde elites in de jaren veertig en vijftig, in het bijzonder op hun kijk op het verleden en de toekomst. ‘Modernisering’ speelt hierbij een centrale rol. Hoofdstuk 2 richt zich op de veranderingen in de Nederlandse nationale identiteit en het buitenlands beleid gedurende de jaren zestig; voornamelijk op ontwikkelingshulp als ‘postkoloniale’ ideologie, op de verschuiving van ‘betrouwbare bondgenoot’ naar ‘wereldburger’ en op de crisis rond traditionele nationale symbolen. Hoofdstuk 3 bestudeert religie en moraal, met speciale aandacht voor de eschatologische verwachtingen in kerken. Hoofdstuk 4 onderzoekt het zogenaamde ‘hart’ van de jaren zestig: de in Amsterdam geconcentreerde tegencultuur; waaronder de actievoerende schrijvers, dichters, provo’s, onconventionele intellectuelen en redacteuren, en de snelle aanvaarding van hun veelbesproken ideeën. Hoofdstuk 5 richt zich op de burgerlijke autoriteiten, met speciale nadruk op, ten eerste, de Amsterdamse rellen in 1966 die de vastberadenheid van de Nederlandse autoriteiten diep schokte, en op, ten tweede, de vele malen dat werd opgeroepen tot een vernieuwing van de politie, de universiteiten en de gemeentelijke overheid. Hoofdstuk 6 bestudeert de veelgehoorde roep om politieke hervorming, na 1966 voortgekomen uit de politieke discussies die beginjaren zestig in de grote partijen hadden plaatsgevonden. Hoofdstuk 7, de conclusie, is een evaluatie van de jaren zeventig en tachtig in Nederland en geeft aan hoe door gebrek aan behoudend en ‘herstellend’ conservatisme de Nederlandse reactie op de jaren zestig afwijkt van die in de Verenigde Staten.

    Als Amerikaan ben ik bijzonder geboeid door de snelle verandering van het culturele klimaat in Nederland. Het wekt verwondering dat in deze samenleving, die in veel opzichten toch behoedzamer en conservatiever is dan de Amerikaanse, meer vrijheid bestaat. De manier waarop gezagdragers zijn omgegaan met deze culturele verandering dwingt respect af: de veranderingen vonden plaats zonder veel geweld en hebben een aantal positieve ontwikkelingen tot gevolg gehad. Maar dit boek zal daarnaast een politieke cultuur aan het licht brengen waarin Nederlandse gezagdragers ten prooi vielen aan clichés als ‘modernisering’ en ‘bij-de-tijd-zijn’. De pragmatische aanpassing aan de ‘veranderende tijden’ heeft ook slappe meegaandheid veroorzaakt en veel Nederlanders gedwongen met de tijd mee te gaan. De jaren zestig in Nederland blijven voor mij dus zowel een inspiratiebron als een waarschuwing.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s